Totaal aantal pageviews

woensdag 21 oktober 2015

WiPhi: filosoferen in 7 minuten

Social workers werken met en aan problemen waarvoor de oplossing lang niet altijd direct helder is. Sterker nog: de oplossing is ook zelden optimaal. Vaak moeten er belangen tegen elkaar afgewogen worden. Bijkomende moeilijkheid is dat de kennis vanuit de menswetenschappen minder "hard" is dan wat de natuurwetenschappen ons in de afgelopen eeuwen hebben opgeleverd. Paradigma's wisselen elkaar af en wat vandaag waar is hoeft dat over 20 jaar niet meer te zijn.
Bron: http://www.freetech4teachers.com/

De filosofie kan helpen, al is het alleen maar door troost te bieden. Misschien denk je daarbij allereerst aan de ethiek, die de weg kan wijzen bij morele dilemma's. Maar ook de argumentatieleer kan social workers helpen kritisch te kijken naar de waarheidsclaims van wetenschappers en beleidsmakers.


Bron: http://www.wi-phi.com/
Een probleem is wel dat veel social workstudenten doeners zijn en filosofie maar een vaag vak vinden. WiPhi kan daar echter bij helpen. Niet de gratis Wifi, zoals je die in de kroeg en bij de McDonalds aangeboden krijgt, maar de (eveneens gratis) Wireless Philosophy, die bijeengebracht is door studenten van bekende Amerikaanse universiteiten als Yale, MIT, Duquesne. In animaties van 7 tot 9 minuten behandelen zij ingewikkelde filosofische vraagstukken. Hun doelgroep: mensen die nog niets van het onderwerp afweten. Op de website zijn de filmpjes in 12 categorieën gerangschikt, waaronder:


  • politieke filosofie
  • godsdienstfilosofie
  • taalfilosofie
  • kritisch denken
  • ethiek
  • linguistiek

WiPhi heeft daarnaast een Youtube-kanaal, waar je je op kunt abonneren. De filmpjes zijn in het Engels, maar door de ondersteunende animaties zijn ze ook voor mensen die niet zo goed Engels spreken gemakkelijk te volgen. Je kunt ook Nederlandse ondertitels aanzetten, maar die zijn zo slecht dat ze alleen maar afleiden. 

Hieronder alvast een voorproefje: een filmpje over de rationele-keuzetheorie en het probleem van de collectieve actie

dinsdag 1 april 2014

Kinderen en armoede

Gisteren, 31 maart 2014, bezocht ik het symposium over kinderen en armoede dat Saxion georganiseerd had bij gelegenheid van het afscheid van Harry Meulenkamp. Het thema was “Kinderen en Armoede”.  Meulenkamp was jaren als docent verbonden aan de Academie Pedagogiek en Onderwijs. In 2001 was hij een van de eerste lectoren (toen in de pers nog “topdocenten” genoemd) bij Saxion. Veel actueler dan dit kan een symposium haast niet zijn: de week ervoor had de Kinderombudsman zijn Handreiking effectief kindgericht armoedebeleid aan de gemeenten aangeboden. 

De meeste aandacht kreeg deze middag het werk van de Stichting Leergeld.  Eigenlijk is die naam
Bron: http://bit.ly/1jVG0LQ
niet helemaal juist, want de landelijke “Stichting Leergeld” is een vereniging van 73 lokale initiatieven (die dan wel weer de stichtingsvorm hebben). Het gemeenschappelijke doel is om kinderen uit arme gezinnen de mogelijkheid te geven , mee te doen aan binnen- en buitenschoolse activiteiten.  Op de eigen website formuleert Leergeld het zo: “
Leergeld heeft als missie het voorkomen van sociale uitsluiting van kinderen uit gezinnen met minimale financiële middelen. Leergeld biedt kansen aan kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar om te kunnen deelnemen aan binnen- en buitenschoolse activiteiten. Hierdoor kunnen ook deze kinderen hun sociale vaardigheden en kennis zo optimaal mogelijk ontwikkelen en later als volwassenen volwaardig participeren in de samenleving”.

Meulenkamp is zelf voorzitter van de Stichting Leergeld Oost-Achterhoek, maar zijn maatschappelijke betrokkenheid reikt veel verder. In 2004 fungeerden hij en zijn vrouw als pleegouders voor Taida Pasic die,  in een destijds geruchtmakende zaak, het land uitgezet dreigde te worden, net voor ze haar eindexamen VWO zou afleggen.

Na het welkom door Jan-Auwke Diepenhorst, directeur van de APO, was het woord aan Gaby van den Biggelaar, directeur van de landelijke vereniging Leergeld.  Zij schetste de organisatie en de werkwijze van Leergeld en de urgentie van het probleem. Zoals gezegd is Leergeld een koepel van ruim 70 lokale initiatieven. Elke lokale stichting is in hoge mate autonoom (men bepaalt bijvoorbeeld zelf welke voorzieningen men verstrekt), maar ook voor een groot deel verantwoordelijk voor de eigen fondsenwerving.  Door die lokale inbedding is men in staat om in te spelen op specifieke behoeften en gebruik te maken van het eigen lokale netwerk.  Een schoolvoorbeeld van de door de overheid zo gepromote civil society.  Het landelijk bureau bestaat slechts uit 2 fte aan betaalde krachten. De 1500 lokale vrijwilligers vormen de ruggengraat van Leergeld.

Ondanks de hierboven geschetste diversiteit houden de lokale afdelingen er wel een uniforme werkwijze op neer. Die ziet er als volgt uit:
  • ouders (of leerkrachten) vragen bij een lokale coördinator ondersteuning aan. Deze doet een eerste beoordeling om te zien of de ouders aan het juist adres zijn;
  • vervolgens legt een vrijwilliger een huisbezoek af.  Hij of zij neemt een inkomenstoets af en inventariseert de hulpbehoefte.  De vrijwilliger kijkt tevens of er nog andere problematiek speelt. De inkomenstoets is minder strikt dan bij bijvoorbeeld aanvragen voor bijzondere bijstand of kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Leergeld kijkt vooral naar het reëel besteedbare inkomen.  Iemand kan op papier een hoog inkomen hebben, maar bijvoorbeeld door een schuldsaneringstraject weinig te besteden hebben;  
  • indien nodig vindt bemiddeling of doorverwijzing naar een andere instantie plaats. Het kan bijvoorbeeld zijn dat er een voorliggende voorziening is;
  • als er hulp van Leergeld nodig is wordt die geboden in de vorm van een gift of in natura.  Meestal kiest men voor een vorm waarin gewaarborgd is dat het geld ook direct aan het kind ten goede komt en niet in bijvoorbeeld de huishoudpot  (of nog erger: het saldotekort op de bankrekening) verdwijnt;
  • er is veel aandacht voor follow-up en nazorg. Als er bijvoorbeeld geld gegeven wordt voor de contributie van een sportclub, zal die in de meeste gevallen in de daarop volgende jaren ook nodig zijn.

Bron: http://bit.ly/1e9UzmV

Zaken waarbij Leergeld hulp biedt zijn onder meer zwemles (door steeds meer gemeenten uit het minimabeleid geschrapt),  sport (zowel contributie als uitrusting/kleding), aanschaf van een fiets, een PC of laptop, hobbies, muziekschool of deelname aan culturele activiteiten,  scouting, de ouderbijdrage voor school, aanschaf van schoolmiddelen en de kosten van excursies, kampen en reizen.  Bij dat laatste kon Van den Biggelaar het niet laten, zich op te winden over de steeds extravaganter excursies (en dito ouderbijdragen) die scholen menen te moeten organiseren, zonder dat de onderwijskundige waarde daarvan duidelijk is.  Van mijn eigen kinderen kan ik mij nog herinneren dat we veel geld hebben moeten neerleggen voor een excursie naar Rome, die mijn dochter – het moet gezegd – erg indrukwekkend vond. Als ik haar moet geloven waren haar klasgenoten echter het grootste deel van de reis laveloos.

De eerste lokale afdeling van Leergeld werd in 1998 opgericht in Tilburg. Daarna ging het hard. Inmiddels wordt er jaarlijks voor € 6.000.000 aan voorzieningen verstrekt. Het aantal geholpen kinderen neemt nog steeds toe:
in 2011                 35.000;
in 2012                 43.000;
in 2013                 47.250.
Armoede onder kinderen is dan ook een groeiend problemen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau geeft jaarlijks een zogeheten Armoedesignalement uit (gratis te downloaden).  Om te bepalen hoeveel kinderen er in armoede leven hanteert het bureau het zogeheten “niet veel, maar toereikend”- criterium . Dit normbedrag is gebaseerd op de minimaal vereiste uitgaven voor voedsel, kleding, wonen en sociale participatie. Zo gezien is het aantal kinderen dat in armoede opgroeit gestegen van 377.000 in 2013 naar 384.000 in 2014. Het SCP voorziet dat deze stijging nog tot 2016 zal doorgaan.  Een belangrijke risicogroep vormen kinderen uit eenoudergezinnen. Een alleenstaande ouder moet in veel gevallen minimaal vier dagen per week werken om boven het bijstandsniveau uit te komen. En dat was, blijkens een recent onderzoek van het NIBUD, in 2013 al niet meer toereikend.  Het bericht van het NIBUD geeft een veelzeggend inkijkje in de huishoudboekjes van sociale minima. Een speciale groep vormen de “nieuwe armen”: zzp’ers, de
Bron: www.nibud.nl
werkende armen, en mensen die een goed inkomen en een goede opleiding hebben maar door een echtscheiding en de gedwongen verkoop van hun huis in de problemen geraakt zijn. In 2013 waren er voor het eerst evenveel mensen vanuit deze groep als vanuit de groep mensen met een uitkering die een aanvraag voor schuldregeling indienden.

Was het verhaal van Gaby van den Biggelaar nog redelijk neutraal, de volgende spreker koos voor een heel andere benadering. Johan van Gemert is diaken en vrijwilliger bij de Stiching Leergeld in, hoe kan het ook anders, Gemert.  Van Gemert maakte zijn intenties meteen duidelijk. Armoede, zo stelde hij, wordt veel te vaak op een rationele, afstandelijke manier benaderd door mensen die er niets van begrijpen. Er is veel te weinig aandacht voor de emotionele kant van armoede.  Hoewel zijn wat prekerige manier van spreken (compleet met een priemende wijsvinger op het eind) bij mij vooral irritatie opwekte, zette hij me toch aan het denken – misschien wel juist door de eenzijdigheid van zijn betoog.  Tot de groep mensen die er niets van begrijpen rekende Van Gemert degenen, politici voorop, die zeggen dat we in Nederland een sociaal vangnet hebben en dat niemand tekort hoeft te hebben. Dat dat niet waar is hebben onder meer Nadja Jungmann en Erica Schruer aangetoond in hun boekje “Paritas Passé” waarin ze laten zien dat gezinnen onder het sociaal minimum kunnen zakken doordat verschillende schuldeisers los van elkaar beslag kunnen leggen op delen van het inkomen en (vooral)doordat de overheid zich een bevoorrechte positie als schuldeiser heeft toegeëigend.  Het boekje is hier te downloaden.  

Maar de opvatting dat er in Nederland geen armoede is, is nog om een andere reden onjuist. Ik kan me nog herinneren dat we in de jaren ’80 , toen ik een beginnend maatschappelijk werker was, met elkaar discussieerden over de vraag of een TV en een telefoon tot de eerste levensbehoeften behoorden. De meesten meenden van niet.  Het internet, toen nog ARPANET geheten, kon je op de achterkant van een sigarendoosje uittekenen en niemand had een computer.  Tegenwoordig twijfelt niemand meer over de noodzaak van een telefoon en een TV en is zelfs een computer een eerste levensbehoefte, wil je mee kunnen komen in de samenleving.  De armsten in de samenleving lijken meer te hebben dan ooit tevoren en toch is de kloof met de rest van de samenleving groter dan een bijvoorbeeld 10 jaar geleden. Armoede is dan ook geen absoluut gegeven, maar ontstaat wanneer je niet meer mee kunt doen met wat in de samenleving als gangbaar beschouwd wordt.

Een benadering waar Van Gemert zich ook sterk tegen verzette is die volgens welke armoede een gedragsprobleem is. In die visie hebben armen het aan zichzelf te wijten. Ze hebben geen geld, maar wel een hond, een auto en een dure flatscreen. Bovendien roken ze en vertonen ze een schrikbarend gebrek aan initiatief. Van Gemert verweet de mensen die dit soort dingen zeggen en denken een flagrant gebrek aan inlevingsvermogen. Voor een deel kan ik daarin meegaan. Armoede houdt zichzelf vaak in stand. Verderop, bij de bespreking van het verhaal van Meulenkamp, zal ik daar nog op ingaan. Bovendien zie je bij sommige mensen die opgegroeid zijn in jarenlange armoede vaak een vorm van aangeleerde hulpeloosheid. Op een gegeven moment verzet je je niet meer tegen je situatie omdat je geleerd hebt dat het toch niets uithaalt. Voor een mooi artikel daarover, zie  http://youarenotsosmart.com/2009/11/11/learned-helplessness/ .

Toch was het verhaal van Van Gemert naar mijn smaak te eenzijdig. Mensen maken soms ook verkeerde keuzes of weigeren zich neer te leggen bij hun situatie.  Ik ken ook mensen die willens en wetens hun part-time baan weer hebben opgezegd, omdat ze hun kwijtscheldingen en hun subsidies kwijtraakten en te weinig overhielden om vroeg voor hun bed uit te komen. En natuurlijk kun je, zoals Van Gemert, zeggen dat sommige mensen die in armoede opgroeien instanties wantrouwen en alle mogelijke legale en illegale (hennepplantage in huis, zwartwerken) manieren zoeken om inkomen te krijgen, maar moet je je daar dan als overheid of als hulpverlener maar bij neerleggen?

Bron: http://www.armekant-eva.nl/jongeren/initiatieven-02.html
Hoe het ook ligt, kinderen kunnen er niets aan doen. En de verhalen die Van Gemert vertelde over hoe leerkrachten een kind soms nog extra isoleren waren schokkend. Zoals het kindje, wiens moeder het schoolgeld nog niet betaald had. De leerkracht schreef het bedrag op de hand van het kind: zoveel moest moeder nog betalen.  Natuurlijk wilden de andere kinderen weten wat juf daar op de hand van het kind geschreven had. En zo zijn er meer situaties waarin leerkrachten kinderen nodeloos buitenspel zetten. De ervaring dat jij als enige, of als een van de weinigen, niet mee kunt op kamp omdat je ouders het schoolgeld niet betaald hebben of omdat je geen goed ondergoed hebt blijft je een leven lang bij. Te veel leerkrachten realiseren zich dat niet.

Een situatie waarin het tijdelijk even tegenzit, bijvoorbeeld omdat een van de ouders werkloos is geworden, daar komen kinderen wel overheen. Maar als het langer gaat duren, ontstaat er sociaal isolement en dat is buitengewoon schadelijk voor de ontwikkeling van kinderen. Van Gemert vertelde het verhaal van het kind dat blij thuiskomt omdat het eindelijk een keer uitgenodigd is voor een verjaardagsfeestje. De ouders moeten het kind dan vertellen dat het niet kan gaan, omdat het binnenkort zelf jarig is en er geen geld is om een feestje te geven en andere kinderen terug te vragen.  Ook in dergelijke situaties kan Leergeld soms helpen met een klein bedrag voor een cadeautje en een kinderfeestje.

Na de pauze was het woord aan Henk Groothuis, bestuurslid van de Stichting Leergeld Deventer.  Zijn verhaal voegde niet zo heel veel toe aan dat van Van den Biggelaar, maar het was wel interessant om te horen hoe zo’n lokale stichting de boel draaiende houdt: investeren in een goed netwerk, met het bedrijfsleven, maar ook met scholen en verenigingen, zorgen dat je af en toe positief in het nieuws komt en dan gebruik maken van je hoge aaibaarheidsfactor en waar mogelijk je contacten aanwenden om het beleid te beïnvloeden. Dat doe je niet maar zo even, maar dat vergt een jarenlange investering in je netwerk.

De Stichting in Deventer heeft een betaalde coördinator (0,6 fte), maar ook hier wordt het echte werk gedaan door de vrijwilligers. Groothuis vertelde dat die voor een deel afkomstig waren uit de doelgroep. Daarbij moest ik in eerste instantie denken aan mensen die de armoede zelf meegemaakt hadden, maar hij bleek te doelen op vrijwilligers die afkomstig waren uit diverse etnische groepen. Hoewel het een vrijwilligersorganisatie is moet hij gemanaged worden als een bedrijf. Dat betekent: een zakelijke aanpak, werken met protocollen, goed getrainde vrijwilligers en een strak logistiek proces. In Deventer houdt dat onder meer in dat men werkt met leergeld-cheques, waardebonnen die gezinnen kunnen inleveren bij een vereniging of een school. Die vult dan het juist bedrag in. De gezinnen krijgen geen geld, omdat de kans te groot is dat het dan niet bij het kind terechtkomt. Overigens denkt de Kinderombudsman met zijn advies om kindpakketten te verstrekken op dezelfde manier.  Belangrijk is ook om zuinig te zijn op je vrijwilligers. Die worden goed getraind en begeleid en krijgen regelmatig een symbolische blijk van waardering, bijvoorbeeld in de vorm van een vrijwilligersavond.

De meest interessante bijdrage kwam van het feestvarken zelf,  Harry Meulenkamp. Als psycholoog wist hij een boeiend verhaal te houden over Armoede als risicofactor in de opvoeding. Het enige minpunt was dat hij in zijn bevlogenheid probeerde om een verhaal van anderhalf uur in 30 minuten te proppen. Daardoor ging soms waardevolle informatie verloren. Meulenkamp hield een hartstochtelijk pleidooi voor meer aandacht in de lerarenopleidingen voor het herkennen van signalen van armoede en het leren omgaan ermee.  Armoede is namelijk, als je er gevoelig voor bent, wel degelijk zichtbaar in de klas. Hij noemde een aantal signalen:
  • ·         zonder ontbijt en/of zonder brood naar school komen;
  • ·         steeds dezelfde kleding dragen, kleren die niet fris ruiken
  • ·         onvoldoende lichamelijke verzorging
  • ·         slecht of kapot schoeisel
  • ·         moe zijn, slaperigheid, bleek zien
  • ·         stagnaties in het leren.


De gevolgen van armoede zijn te ernstig om de bestrijding ervan alleen aan vrijwilligers over te laten. Professionals hebben hier ook een taak in, aldus Meulenkamp.  Armoede beïnvloedt langs diverse mechanismen de ontwikkeling van een kind.

Allereerst kunnen voedingstekorten of eenzijdige voeding de ontwikkeling van de hersenen ongunstig beïnvloeden.  De werking van het limbische systeem kan erdoor beïnvloed worden. Onderdeel van dat systeem zijn de amygdalae, kleine kernen van neuronen die belangrijk zijn in
Een van de amygdalae
Bron: http://neurotechzone.com/posts/201
het koppelen van emoties aan waarnemingen en in het opslaan van emotionele herinneringen. Antonio Damasio heeft laten zien dat emoties belangrijk zijn om goede beslissingen te kunnen nemen. Kort gezegd komt het er op neer dat we  op twee manieren beslissingen kunnen nemen: op basis van een rationele afweging van voor- en nadelen, maar als de tijd daarvoor ontbreekt ook op basis van emoties.  Als we emoties op een goede manier koppelen aan onze waarnemingen, nemen we betere beslissingen.  Als er, bijvoorbeeld vanwege een tekort aan de juiste voedingsstoffen, iets mis gaat in de ontwikkeling van dat limbische systeem kunnen we dus ook minder goed beslissingen nemen.  

Een tweede mechanisme waarlangs armoede de sociale en cognitieve ontwikkeling van het kind beïnvloedt is via stress. Langdurige armoede leidt bij de ouders tot stress. Uit mijn tijd als schuldhulpverlener weet ik dat het piekeren nooit ophoudt als je schulden hebt. ’s Avonds in bed lig je te rekenen hoe lang het nog duurt voor je weer geld krijgt en wat je in de tussentijd allemaal nog moet betalen.  Ik herinner me het verhaal van de vrouw die op zaterdag pas de voordeur durfde te openen omdat er dan geen deurwaarders en ook geen post meer konden komen.  Het maakt het moeilijker voor ouders om nog oog te hebben voor en te genieten van hun kind. Een goede opvoeder zijn is moeilijk als je langdurig met stress te maken hebt.

Structurele armoede leidt ook bij kinderen tot langdurige stress. Langdurige stress beïnvloedt het afweersysteem en dus de gezondheid, maar ook het cognitief functioneren. Langdurige stress kan ook tot depressie leiden en de psychodiagnostisch werkers zullen je kunnen vertellen dat depressie kan leiden tot een slechtere score op een  IQ-test en andere tests die het cognitief functioneren meten. Stress bij kinderen kan via sociaal leren overgenomen worden van de ouders. Ik las ooit het verhaal van een volwassene die in armoede opgegroeid was. Hij vertelde dat bezoek krijgen voor hem een heel andere emotionele lading had dan voor andere kinderen. Als bij andere kinderen de deurbel ging waren ze nieuwsgierig: wie zou er aan de deur staan. Bij hem thuis moesten de kinderen altijd onder de tafel duiken, zodat niemand zou zien dat er iemand thuis was.

Een vierde mechanisme dat maakt dat armoede leidt tot ontwikkelingsachterstanden is dat van het sociaal isolement.  Hiervoor heb ik al voorbeelden gegeven van hoe kinderen leren dat ze niet spontaan met andere kinderen mee kunnen doen. Een verjaardagsfeestje bezoeken kan niet, omdat je je klasgenoot niet terug kunt uitnodigen, als je al geld hebt voor een cadeautje. Mee op kamp kan niet omdat er geen geld is voor toiletspullen en net ondergoed.  Schaamte speelt ook vaak een rol. Kinderen zijn loyaal aan hun ouders en leren al jong dat ze bepaalde zaken geheim moeten houden.  Ook dat kan tot stress en tot belemmeringen in de interactie met andere kinderen leiden. Zo zijn er nog wel meer voorbeelden te bedenken die, nog afgezien van pesterijen waaraan sommige kinderen ook blootgesteld kunnen worden, hun impact hebben op de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Een vijfde mechanisme, waarover  recent een boek verschenen is (“Schaarste”) van de hand van Mullainathan en Shafir is dat van de schaarste.  Schaarste, zo stellen zij, vermindert de bandbreedte van het denken.  Mensen raken gefocust op de korte termijn en op het verminderen
 Sendhil Mullainathan en  Eldar Shafir
Bron: http://www.mavenpublishing.nl/auteurs/mullainathan-en-shafir
/
van de schaarste en hebben daardoor minder ruimte om te denken. Mullainathan en Shafir verwijzen onder meer naar onderzoek onder rijstboeren in Azië. Hun inkomsten wisselen sterk. Vlak na de oogst hebben ze relatief veel geld; verderop in het jaar moeten ze echt de broekriem aanhalen. Op zo’n moment blijken ze gemiddeld 13 punten lager te scoren op een IQ-test dan vlak na de oogst. Een mooi artikel over de invloed van schaarste op het denken en over het boek van Mullainathan en Shafir is Rutger Bregman’s artikel
“Waaromarme mensen domme dingen doen” .

Overigens moeten armen zich soms, ook los van eventuele beperkingen in het denken, wel op de korte termijn richten, omdat ze simpelweg het geld niet hebben om zich op de lange termijn te richten.  Ze moeten nieuwe schoenen kopen als ze toevallig geld hebben en niet als er een uitverkoop is, of ze kopen dingen in kleine hoeveelheden, ook al is dat relatief duur.  Iemand die dat treffend beschreven heeft is de Amerikaanse journaliste Barbara Ehrenreich.  Ehrenreich, universitair geschoold, besloot om gedurende een jaar het leven te gaan leiden van de working poor in Amerika. Ze vertrok met 1000 dollar op zak naar Florida en ging daar op zoek naar huisvesting en een baan. Hoewel ze snel werk vond lukte het haar niet het hoofd boven water te houden. Haar spaarpotje verdween als sneeuw voor de zon en haar gezondheid holde achteruit. Het boek van Ehrenreich is in het Nederlands vertaald als “De achterkant van de Amerikaanse droom”. Een welwillende recensie uit onverdachte hoek vind je hier. Overigens, als je zelf eens wilt ervaren met welke dilemma’s een “working poor” in de VS geconfronteerd wordt, dan is de game SPENT een eye-opener. Hij is ontwikkeld door een hulpverleningsorganisatie uit Durham, North Carolina. Je begint de maand met 1000 dollar en je enige opgave is om het eind van de maand te halen. Dat lukt alleen als je keihard voor jezelf en je omgeving bent. Maar dat ontdekte ik pas nadat ik eerst een paar keer halverwege de maand gestrand was.

Een laatste mechanisme, dat wel lijkt op dat van Mullainathan en Shafir is het gegeven dat wilskracht beperkt is. Mensen moeten voortdurend keuzes maken, bijvoorbeeld tussen behoeftebevrediging op korte termijn en de belangen op de langere termijn.  Mensen in armoede moeten die keuzes veel vaker maken, omdat de marges bij hen veel kleiner zijn. Als zij besluiten om met de kinderen naar de McDonald’s te gaan moet er ergens anders bezuinigd worden. Kort gezegd komt de theorie van de “depletable self-control” er op neer dat zelfbeheersing tonen er toe leidt dat je je bij een volgende gelegenheid gemakkelijker laat overhalen om iets onverstandigs te doen. Ik kan er nog veel meer over vertellen, maar ik heb het allemaal al eens beschreven in deze blogpost .

Dat ik zoveel aandacht besteed aan Harry Meulenkamp is omdat zijn verhaal verreweg het interessantst was. Jammer dat zo’n man met pensioen gaat! Na Meulenkamp volgende de eregast van die middag, staatssecretaris Jetta Klijnsma. En hoewel Klijnsma altijd een aanstekelijk enthousiasme uitstraalt, was haar verhaal inhoudelijk toch wat vlak. Ze beschreef vooral wat het kabinet aan armoedebestrijding doet. Daarvoor is, ondanks de bezuinigingen, in 2013 een bedrag van 20 miljoen euro uitgetrokken. In 2014 loopt dat op naar 80 miljoen om dan vanaf 2015 jaarlijks 100 miljoen te bedragen.  Het beleid is, behalve op directe verlichting van de nood, vooral gericht op ondersteuning van lokale initiatieven en het stimuleren van kennisontwikkeling en –uitwisseling bij en tussen die plaatselijke actoren. Klijnsma onderstreepte het belang van de bestrijding van armoede onder kinderen. Ze verwees onder meer naar het rapport “Kinderen in tel”. Dat laat aan de hand van elf indicatoren op basis van het VN-Kinderrechtenverdrag zien in welke Nederlandse gemeenten er positieve ontwikkelingen zijn, maar ook waar de verschillen in leefsituatie zitten. Het laat ook zien dat kinderen die in armoede opgroeien een grotere kans lopen op verwaarlozing, mishandeling en sociaal isolement. Het rapport is te downloaden op http://www.kinderenintel.nl/ Ook Klijnsma pleitte tenslotte voor een beter bewustzijn van de problematiek bij professionals in zorg, welzijn en onderwijs. "We moeten als professionals een antenne voor kinderarmoede ontwikkelen.”

Daarvoor is nodig dat opleidingen meer aandacht besteden aan armoede, schuldenproblematiek en de effecten daarvan op mensen. Harry Meulenkamp noemde de Academie Mens en Maatschappij als een van de weinige Academies waar dit ingebed was in het programma, maar ook voor andere Academies en andere studierichtingen zou dit zeer wenselijk zijn. 

Enkele handige webadressen:
Stichting Jarige Job      : http://www.jarige-job.nl/
Leergeld Nederland       : http://www.leergeld.nl/
Jeugdcultuurfonds        : http://www.jeugdcultuurfonds.nl/
Jeugdsportfonds          : http://www.jeugdsportfonds.nl/



Bron: http://voorleusden.nl/2014/03/kans-voor-mijn-kind/
Op Kans voor mijn Kind kunnen arme gezinnen informatie over geldzaken en minimaregelingen vinden. Hoe kan je begroting er uit zien als je twee kinderen hebt, maar het moet stellen met een minimuminkomen? Hoe bespaar je op dagelijkse uitgaven? Gemeenten kunnen zich aansluiten bij de website en zo hun gemeentelijke regelingen en voorzieningen onder de aandacht brengen. Via onder meer scholen, sportverenigingen, gemeenten en diverse media zal de website bekend worden gemaakt. De gemeente Utrecht sluit als eerste gemeente aan op de website.
De website is een initiatief van het Nibud en Stimulansz en mede mogelijk gemaakt door het ministerie van SZW.

woensdag 5 februari 2014

Verder na een poging tot zelfdoding

In Nederland doen jaarlijks 94.000 mensen een poging tot zelfdoding. Wist je dat 95% van de mensen die een zelfmoordpoging doen, deze overleeft? De keerzijde is echter dat iemand die een tweede poging doet 37 keer meer kans heeft om te overlijden. Alle reden dus om veel aandacht te besteden aan de nazorg en dan niet alleen de professionele nazorg, maar ook de opvang door de omgeving. Toch weet juist die omgeving vaak niet, hoe te reageren.
Cara Anna, verslaggever in China, deed twee keer een poging. In dit artikel vertelt ze hoe een filmpje van 5 minuten, een TED-talk door J.D. Schramm, haar leven redde. In dat filmpje vertelt Schramm, een docent business communicatie aan Stanford University over zijn suïcidepoging en over hoe belangrijk het is om er over te kunnen praten. Bekijk het filmpje hieronder


video


bron: http://www.ted.com/talks/jd_schramm.html

In het filmpje wordt gesproken over het Trevor Project. Dat is een project dat zich richt op preventie van suïcide bij homoseksuele jongeren. Het project is voortgekomen uit een korte, met een Oscar bekroonde film "Trevor", die in 1994 uitgebracht werd en die gaat over een homoseksuele jongen in de Amerikaanse Bible belt.

Ook de omgeving staat vaak alleen met zijn gevoelens van schuld en verwarring. Vreemd genoeg blijkt uit onderzoek van het UMC Groningen dat het voor de omgeving niet altijd goed is om hulp te zoeken bij een lotgenotengroep, een groep met andere nabestaanden van zelfdoding dus. Wel moet hierbij vermeld worden dat het in het onderzoek ging om mensen van wie een naaste was overleden door zelfdoding en dus niet om mensen die in hun omgeving een poging tot zelfdoding hadden meegemaakt. Of er naar die laatste groep (die dus veel groter is) ook onderzoek is gedaan, weet ik niet. 


donderdag 5 september 2013

Distantie

Laatst ben ik in een sentimentele bui door De H. gefietst, waar ooit mijn loopbaan als sociaal werker begon.  Een deel van de woningen zou gesloopt worden en ik wilde de buurt nog eenmaal zien
 bron: http://www.tubantia.nl/regio/hengelo/kaalslag-in-hengelose-es-na-sloop-1.3667979


Terwijl ik door de wijk zigzagde kwamen de herinneringen weer boven. Daar woonde mevrouw D. met haar dochtertje, dat altijd te laat op school kwam.  Moeder durfde ’s nachts niet te slapen uit angst voor de geesten van haar overleden ouders.  En daar woonde Klaas, vrijwilliger in de wijk. De zachtmoedigheid zelve, maar hij dronk meer dan goed voor hem was.  Op een dag was zijn vrouw het zo zat dat ze bij hem wegging. Het laatste wat ik over hem  hoorde was dat hij langdurig vastzat wegens moord. Even verderop woonde meneer C., secretaris van de bewonersvereniging. Wij noemden hem liefkozend de burgemeester van De H. Hij was onze ogen en oren. Regelmatig kwam hij langs om me mee te nemen naar een gezin dat écht geholpen moest worden.

We deden bijna alleen maar huisbezoeken en daarom heb ik bij een groot deel van de woningen wel herinneringen aan een bewoner – soms zelfs aan meerdere.  Dat ging zo door tot we een manager kregen die MBA studeerde en berekend had dat je in de tijd van twee huisbezoeken drie gesprekken op kantoor kon doen.

Al die kennis van de wijk en van de mensen die er leefden: had ik er wat aan? Ik denk het wel. Ik kreeg een completer beeld van mijn cliënten. Van zaken die ze niet vertelden omdat die voor hen vanzelfsprekend waren, maar die wel hun probleem in stand hielden of de sleutel vormden voor een oplossing. Ik zag hoe de buurt hun dagelijks leven beïnvloedde.  Ik kwam via bewoners, zoals meneer C., in aanraking met mensen die anders nooit om hulp gevraagd hadden. Maar bovenal ging ik van de wijk houden en ik maak mezelf wijs dat bewoners dat gemerkt hebben.

Studenten vertellen me vaak dat ze willen leren een grens te trekken tussen privé en werk. Ze willen de problemen van het werk niet meenemen naar huis. Ik probeer ze dan altijd uit te leggen dat het zo niet werkt in ons beroep. Distantie is belangrijk, maar dan als manier om een probleem vanuit verschillende perspectieven te kunnen bekijken. 

Uiteindelijk gaat social work over betrokkenheid, over geraakt durven worden.  Als je na vijf uur niet meer over je werk wilt nadenken, moet je maar in een koekjesfabriek gaan werken - met alle respect voor de meisjes van Verkade.
bron: http://www.goglobalnetwork.eu/en/goglobal.htm
Iemand die het veel mooier onder woorden kan brengen dan ik is Andries Baart, hoogleraar presentie en zorg. Lees hier een interview met hem over hoe hij denkt over de transities in zorg en welzijn. Als het niet lukt om het artikel te benaderen kun je hier een samenvatting lezen.

zondag 21 juli 2013

Achterlijke kinderen

Mijn vrouw is dol op kringloopwinkels. Ik vind er niets aan, behalve wanneer ze, zoals bij mij in de buurt, een mooie boekenafdeling hebben; voor mij het Småland van de kringloopwinkel.  Toen ik laatst weer eens  de nieuwe oude aanwinsten inspecteerde trok een opvallende titel mijn aandacht: “Achterlijke kinderen”, door dr. D. Herderschêe;  tweede druk uit 1947 – prijs: € 1,50. Ik begon erin en las het ter plekke bijna uit.




Herderschêe was een bekend zenuwarts, die tegenwoordig geldt als de pionier van het speciaal onderwijs in Nederland.  Hij maakte onder meer de Binet intelligentietest geschikt voor kinderen met een verstandelijke beperking.  Diverse scholen dragen nog steeds zijn naam.  

Dr. Dirk Herderschêe
bron: http://www.100jaarorthopedagogiek.nl/?q=1877
Het meest fascinerend vond ik het laatste hoofdstuk: “Therapie en prophylaxis”.  Daarin lijkt hij een warm pleitbezorger van de eugenetica . De verbeterde zorg voor zwakzinnigen heeft namelijk één groot nadeel: doordat ze niet langer ten prooi vallen aan “alcoholisme, vagebondage, misdaad en prostitutie” neemt hun aandeel in de bevolking toe. Hij beroept zich daarbij op berekeningen van Fritz Lenz, die als wetenschapper de nazi’s adviseerde bij hun campagnes voor gedwongen sterilisatie en – later -  euthanasie op zwakzinnigen. De argumenten die hij gebruikt komen sterk overeen met  wat in propagandafilms als “Erbkrank” naar voren gebracht wordt. Lenz stond onder wetenschappers overigens bepaald niet alleen. Zie daarvoor deze link. 

Nazi-propaganda voor het eugenetica-programma
bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Nazi_eugenics
Ik vroeg me af hoe het kon dat een gerespecteerd arts als Herderschêe nog in 1947 dit soort ideeën niet alleen aanhing, maar ze ook uitgegeven wist te krijgen.  Ik kon diverse redenen bedenken.  Allereerst was de eerste druk verschenen in 1934, nog voor we wisten waar de eugenetische beweging toe zou leiden.  Misschien was dit hoofdstuk wel per ongeluk gehandhaafd in de tweede druk. Bovendien waren in 1947 nog lang niet alle gruweldaden van de nazi’s bekend. En tenslotte was er nog geen alternatief in de vorm van de prikpil.  

Maar het belangrijkste zag ik thuis pas, toen ik het boekje uitlas. Herderschêe kent de beperkingen van de wetenschap. Te vaak krijgen zwakzinnigen een etiket opgeplakt, dat later onjuist blijkt. En soms komt het voor dat “psychopathen” een geniaal kind krijgen. Daarom is hij tegen sterilisatie. De gedreven wetenschapper Herderschêe is zich bewust van de grenzen van de wetenschap. Daar zouden de breingelovigen en DSM-aanhangers van tegenwoordig nog iets van kunnen leren.


Meer informatie over Herderschêe vind je op "100 jaar Orthopedagogiek".


vrijdag 1 maart 2013

Profielwerkstuk

Profielen, profielen, profielen. Studenten en collega's raken soms de weg kwijt in het woud aan profielen waar ze mee te maken krijgen. Daarom dit artikel.

Met enige regelmaat vragen wij in onze opleidingen aan studenten om te reflecteren op het een of andere profiel, om hun competentieontwikkeling af te meten aan zo’n profiel of om hun handelen langs de lat van de beroepscode te leggen.  Bij een Academie als de onze, waar de meeste studiehandleidingen en opdrachten bij  MWD en SPH identiek zijn, levert dat al gauw verwarring op.  Daarom voor iedereen de belangrijkste informatie nog eens op een rij.

Beroepsprofielen

Bron: http://www.africanimmigrant.ca/?p=454
Om te beginnen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen een beroepsprofiel en opleidingsprofiel. Een beroepsprofiel beschrijft wat een vakvolwassen beroepsbeoefenaar moet weten en kunnen en vaak ook wat hij of zij doet en wat kritische beroepssituaties zijn.  Bij een “vakvolwassen beroepsbeoefenaar” kun je dan denken aan iemand met minimaal 5 jaar werkervaring. Beroepsprofielen worden geschreven door een beroepsvereniging.  Zo heb je het beroepsprofiel van de maatschappelijk werker, geschreven door de NVMW. Dat is niet te downloaden, maar wel hier in te zien.  SPH kent geen beroepsprofiel. Dat heeft te maken met het feit dat SPH geen beroepsvereniging heeft.  Tot voor enkele jaren was er wel zo’n vereniging, Phorza, maar die leidde een kwijnend bestaan en had nooit meer dan 600 leden. Een dieperliggende oorzaak is mogelijk dat SPH nooit een beroep is geweest, zoals maatschappelijk werk dat al wel meer dan 100 jaar is.  SPH is een opleiding die ongeveer 15 jaar geleden ontstaan is uit een aantal kleinere opleidingen die tegen hun zin samengevoegd werden in het kader van een poging om het hbo overzichtelijker te maken.

Er zijn ook beroepsprofielen die meer op een bepaalde sector zijn toegesneden, zoals het beroepsprofiel jeugdzorgwerker   (ontwikkeld door het werkveld, in samenspraak met de opleidingen)  of competentieprofielen die zich richten op een specifieke functie op een bepaald functieniveau.  Deze profielen zijn vaak ontwikkeld door of namens werkgevers- of brancheorganisaties. Zo kent de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, de VGN, competentieprofielen op bepaalde niveaus (A t/m D), maar ook toegesneden op hele specifieke doelgroepen, zoals cliënten met niet-aangeboren hersenletsel. Alle competentieprofielen van de VGN zijn hier te vinden. .  In de jeugdzorg kent men het beroepsprofiel jeugdzorgwerker.  Dit is helaas alleen in boekvorm te bestellen, maar op de website van het Nederlands Jeugdinstituut is wel een uitgebreide brochure te downloaden.

Een ander relevant beroepsprofiel voor MWD en SPH is dat voor de GGZ-agoog Voor professionals die werkzaam zijn in de maatschappelijke ondersteuning (alle sectoren die onder de werking van de WMO vallen; denk bijvoorbeeld aan grote delen van het AMW) is er de beschrijving van de competenties  MaatschappelijkeOndersteuning in de branche Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening. Bij deze competentiebeschrijving hoort de Handreiking Maatschappelijke Ondersteuning, die kwaliteitskenmerken voor de uitvoering van de WMO geeft:

Opleidingsprofielen

http://acdmutual.blogspot.nl/2012/03/1234-uitnodiging-bijeenkomst.html
Een beroepsprofiel beschrijft de competenties van een vakvolwassen beroepsbeoefenaar. Een opleidingsprofiel beschrijft waar opleidingen naar toe werken, dat wil zeggen: het eindniveau van de opleiding of het niveau van de beginnende beroepsbeoefenaar.  Opleidingen stemmen hun beleid af in de landelijke opleidingsoverleggen (LOO’s). Zo is er een LOO-mwd en een LOO-sph. Deze LOO’s stellen de landelijke opleidingsprofielen voor hun opleidingstype op. Zij voeren hierover overleg met beroepsverenigingen (zoals gezegd kan dit bij SPH dus niet) en brancheorganisaties. Uiteindelijk wordt het opleidingsprofiel vastgesteld door de HBO-raad.  Het profiel wordt dan onderdeel van het toetsingskader bij de accreditatie. Met andere woorden: hogescholen zijn vrij om hun curriculum zo in te richten als hun goeddunkt, maar ze moeten wel aantonen dat ze alle kwalificaties uit het voor hen geldende landelijke opleidingsprofiel op het juiste niveau  “afgedekt” hebben.

Bij de laatste actualisering van de opleidingsprofielen, rond 2009, zijn de opleidingen in de sociale sector (behalve MWD en SPH waren dat ook nog Culturele en Maatschappelijke Vorming, Creatieve Therapie, Pedagogiek en Godsdienstpastoraal Werk) begonnen met zich te bezinnen op de gemeenschappelijke basis van (het opleiden voor) het sociaal-agogische domein. Dat leidde tot het kaderdocument Vele takken, één stam. Op basis hiervan zijn de opleidingen vervolgens de afzonderlijke landelijke profielen gaan actualiseren.  Het opleidingsprofiel MWD en dat van SPH  zijn te vinden op de website van de HBO-raad.

Uitstroomprofielen en specialisaties

Naar aanleiding van een aantal ernstige incidenten in de Jeugdzorg ontstond in 2007 het idee voor een Actieplan ProfessionaliseringJeugdzorg dat nog datzelfde jaar aan Minister Rouvoet van Jeugd en Gezin werd overhandigt. Een van de resultaten van dit Actieplan was het hierboven al genoemde beroepsprofiel Jeugdzorgwerker. Om de aansluiting tussen hbo en beroepspraktijk te verbeteren werd een landelijk uitstroomprofiel  Jeugdzorgwerker van 90 EC ontwikkeld.
Hogescholen die een studieroute of een specialisatie onder de naam Jeugdzorg(werker) aanbieden mogen dat alleen doen als ze zich baseren op dit document.

Vervolgens kwamen andere brancheorganisaties in beweging die wilden dat er voor hun sector ook een specialisatie werd ontwikkeld. Op dit moment zijn uitstroomprofielen voor de verstandelijk gehandicaptenzorg en de GGZ-agoog in een vergevorderd stadium van ontwikkeling.  Daarnaast biedt een groot aantal hogescholen, waaronder Saxion, al jaren een landelijk ontwikkelde minor Werken in Gedwongen Kader (WIGK) aan. Bij deze laatste gaat het echter om een programma van slechts 30 EC, dat in nauwe samenwerking met Reclassering Nederland ontwikkeld is. Het verschil tussen al deze specialisaties en het uitstroomprofiel jeugdzorgwerker is dat alleen deze laatste leidt tot een civiel effect. Kortgezegd: de andere specialisaties staan leuk op je CV en geven je ook wel een streepje voor bij het solliciteren. Het bezit van een diploma-aantekening jeugdzorgwerker is echter  ook echt noodzakelijk om je te kunnen inschrijven in het beroepsregister voor jeugdzorgwerkers. Vanaf 2014 wordt zo’n inschrijving verplicht, wil je in de jeugdzorg kunnen werken.

Welzijn Nieuwe Stijl

Welzijn Nieuwe Stijl (WNS) is een term die gemunt is door toenmalige staatssecretaris Jet Bussemaker. Het is de naam van een programma dat gericht is op de verbetering van de uitvoering van de WMO, in lijn met de visie waar die wet voor staat. WNS is niet zozeer een beroepsprofiel, maar geeft (door middel van acht bakens) gemeenten, welzijnsorganisaties,  beroepskrachten,  maar ook cliëntvertegenwoordigers houvast.  De brochure waarin een en ander beknopt uiteen wordt gezet vind je hier. Veel van de elementen van WNS komen terug in de beschrijving van de competenties  Maatschappelijke Ondersteuning in de branche Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening

Beroepscodes

www.nvmw.nl
Een beroepscode geeft aan voor welke waarden een beroepsgroep staat. De code geeft de collectieve beroepsnormen weer.  Een Code geeft, met name bij ethische dilemma’s, richting aan het beroepsmatig handelen en maakt aan cliënten en samenleving duidelijk waar een professional op aan te spreken is (NVMW, 2010). Een beroepscode wordt opgesteld door een beroepsvereniging. Phorza heeft in 2009 een beroepscode gepubliceerd. Het maatschappelijk werk kent al sinds 1962 een beroepscode, die in 2010 voor het laatst geactualiseerd is. Deze is niet te downloaden, maar wel in te zien .

Professionals die zich inschrijven in het beroepsregister onderwerpen zich aan tuchtrecht, hetzij op basis van de Phorza-code (als ze zich inschrijven als agoog) of van de NVMW-code (als ze zich als maatschappelijk werker registreren).  Voor jeugdzorgwerkers geldt een aanvullende beroepscode, omdat met name kwesties als geheimhouding en zelfbeschikkingsrecht van de cliënt in hun beroep soms anders liggen.
De eisen die de beroepscode kunnen soms botsen met de verwachtingen van een werkgever. Dat kan met name gaan wringen als in een bepaalde functie zowel maatschappelijk werkers of sociaal-pedagogisch hulpverleners (dus mensen die onder een van de beroepscodes vallen) als anderen werkzaam zijn. Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan de reclassering waar maatschappelijk werkers soms hetzelfde werk doen als hbo-juristen.

Samengevat:

Voor onze Academie zijn er dus twee relevante opleidingsprofielen. Beide zijn gebaseerd op het Grondslagendocument Vele Takken, Eén Stam.  Onder de paraplu van die opleidingsprofielen lijken zich nu allerlei uitstroomprofielen te ontwikkelen.

Beroepsprofielen kunnen opgesteld worden door een brancheorganisatie of door een beroepsvereniging en beschrijven de competenties en taken van een vakvolwassen beroepsbeoefenaar.  Soms doen ze dat voor een beroep, soms voor een sector en soms voor een specifieke functie op een bepaald niveau.
Een beroepscode beschrijft de waarden van waaruit een professional werkt en maakt inzichtelijk wat klanten en de samenleving van hem/haar kunnen verwachten met name als het gaat om waardegeladen onderwerpen

Straf of zorg of herstel?



Bron: http://www.flickr.com/photos/publik15/3967318488/
In de weekendbijlage van Trouw stond onlangs een interessant artikel van Rinus Otte onder de titel “Eerherstel voor de cel”.  Het artikel is een bewerking van de lezing die hij op 28 november jl. hield op het congres Verslaving en TBS. De tekst ervan is hier te lezen. De hoogleraar rechtspleging in Groningen en senior raadsheer bij het Gerechtshof te Arnhem  neemt stelling tegen de opvatting van veel psychologen en psychiaters dat een verslaafde crimineel geen keuze heeft en daarom behandeld moet worden in plaats van gestraft. Veel gedragsdeskundigen, zegt hij, hebben een overdreven rooskleurig beeld van de veranderbaarheid van mensen. Schaarse zorgmiddelen worden zo aangewend om verslaafden over een lat te laten springen die bij voorbaat veel te hoog ligt. Accepteer dat je niet iedereen kunt helpen en respecteer de onvolmaaktheid van het leven.  De consequentie is dat we accepteren dat we meer zwervers op straat zullen zien en dat het strafrecht vaker als laatste vangnet zal fungeren.  Ons zorgsysteem is immers financieel niet meer vol te houden.
Bron: http://www.flickr.com/photos/crashtestaddict/4279003745/
Ik kan me vinden in Otte’s pleidooi om verslaafden niet te ontslaan van hun verantwoordelijkheid en sociale problemen niet te snel te medicaliseren.  Dat betekent  echter niet dat we ze dan maar moeten loslaten tot ze vroeg of laat tegen de strafrechtelijke lamp lopen. Otte’s betoog past in een trend om de verzorgingsstaat als achterhaald en onhoudbaar te debunken. Engeland en de VS worden daarin vaak als gidslanden voorgesteld.

Het is zeker waar dat de verzorgingsstaat mensen lui heeft gemaakt en uitgenodigd heeft tot misbruik. Margot Trappenburg herinnerde onlangs echter nog eens aan Abram de Swaan, volgens wie de verzorgingsstaat er net zo goed is (was?) voor de sterke, hardwerkende belastingbetaler (voor de volledige tekst van De Swaans klassieker "Zorg en de staat", klik hier.) Die zal vaker en heftiger geconfronteerd worden met de ellende van anderen. En met criminaliteit, want Engeland en de VS zijn bepaald niet veiliger dan Nederland.
We moeten niet de illusie hebben dat we iedere verslaafde -kunnen omvormen tot productieve modelburger. We moeten echter ook niet doorschieten naar het andere uiterste. Onze relatief veilige samenleving, die permanent in de geluks-toptienvan de wereld staat, is mede te danken aan de verzorgingsstaat; die  - in de woorden van Trappenburg -  “oude liefde die te weinig is gekoesterd en te weinig waardering heeft gekregen”.

In zijn algemeenheid is er trouwens al jaren een tendens merkbaar om de vergeldingsfunctie van ons strafrechtsysteem weer meer te benadrukken. Een mooi (nou ja, dat hangt af van je standpunt) voorbeeld daarvan vormt het Burgercomité tegen onrecht. Bij zo'n naam krijg ik meteen al de kriebels: alsof mensen die het niet met hun eens zijn voor onrecht zouden zijn. Mensen hebben nogal eens de neiging om alles waar ze het niet mee eens zijn als onrecht te beschouwen.

Dit burgercomité zegt de belangen van slachtoffers en nabestaanden te vertegenwoordigen tegenover de politiek, de overheid en de media. Met een aantal van hun doelstellingen kun je het moeilijk oneens zijn. Zo pleiten ze ervoor dat het voorstel voor het bieden van smartengeld nu eindelijk, na ruim 6 jaar, eens door de Kamer komt. Maar daarnaast vinden ze dat er minder geld besteed moet worden aan daders en dat het vrijgekomen geld ten goede zou moeten komen aan slachtoffers. Ze vinden het maar onzin dat een gevangene een opleiding kan volgen en een reïntegratietraject aangeboden krijgt. Met dat reïntegreren valt het overigens in de praktijk nog wel tegen (of mee, als je een aanhanger bent van Eerdmans c.s.). Ik kan me nog herinneren hoe ik als schuldhulpverlener mensen begeleidde die in de problemen raakten nadat ze zonder enige vorm van begeleiding uit de gevangenis waren gekomen. Zelfs de huur van hun flatje was niet opgezegd toen ze vastgezet werden. Belangrijker lijkt mij echter dat het ook in het belang van slachtoffers is dat een dader na zijn vrijlating mogelijkheden aangereikt krijgt om buiten de criminaliteit te blijven. Dat dat lang niet altijd lukt, zoals Otte terecht stelt, wil niet zeggen dat je de samenleving veiliger maakt door maar zo streng mogelijk te straffen en het daarbij te laten. Zoals gezegd: samenlevingen waar dat wel gebeurt zijn echt niet veiliger dan de onze. Bovendien, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek, zijn de straffen in Nederland, Europees gezien, al relatief hoog.

Gisteravond gingen de mensen van het Burgercomité in debat met onder meer rechtbankverslaggever Chris Klomp. Kijk en bepaal zelf je mening
 
Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


In het programma komt mooi naar voren hoe lang niet alle slachtoffers uit zijn op vergelding. Het lijkt erop alsof wat voor de een werkt, niet hoeft te werken voor de ander.

Een heel andere invalshoek kiest de Stichting Restaurative Justice. Deze stichting vindt ook dat criminelen aangesproken moeten worden op hun verantwoordelijkheid, maar komt tot heel andere conclusies dan het burgercomité. Een misdaad leidt niet alleen tot schade, maar ontwricht ook de verhaoudingen tussen mensen. Slachtoffer worden tast vaak je gevoel van basiszekerheid aan. Denk maar aan mensen die slachtoffer zijn van een inbraak. Vaak vinden ze de materiële schade nog niet het ergste, maar het idee dat iemand in hun huis geweest is en aan hun spullen gezeten heeft. In restaurative justice (herstelrecht) komen daders en slachtoffers en eventueel andere betrokkenen bij elkaar om uit te maken hoe de geleden schade hersteld kan worden. Uitgangspunt is dat de dader verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

In de documentaire Omar's schuld die in oktober 2012 werd uitgezonden gaat het niet om een misdrijf, maar om een aanleiding. De documentaire, door het slachtoffer gemaakt, laat mooi zien hoe de hoofdpersoon eerst vol wrok zit en vast blijft zitten in het verleden, maar hoe hij, door met de bestuurder van de auto die hem heeft aangereden in gesprek te gaan, anders tegen het ongeluk aan gaat kijken en het verleden los kan laten. De Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming adviseerde in 2011 dan ook positief over deze vorm van afdoening. De documentaire is hieronder te bekijken. Zeer de moeite waard!

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Zoals gezegd: niet voor alle slachtoffers zal dit een haalbare kaart zijn. Uiteraard bepaalt het slachtoffer altijd of herstelrecht toegepast kan worden. Maar door er - bijvoorbeeld als bemiddelaar -  anderen bij te betrekken uit het netwerk van het slachtoffer of de dader kan het voor slachtoffers wel gemakkelijker gemaakt worden om mee te werken aan herstelrecht. Dat wil niet zeggen dat je "soft on criminals" hoeft te zijn: herstelrecht kan een flinke schadevergoeding (financieel of anders) inhouden en kan zelfs na afloop van een reguliere gevangenisstraf nog ingezet worden.

Bron: Nieuwsbrief InZicht http://bit.ly/148flhg
 
Herstelrecht is hot. Dat blijkt ook wel uit het feit dat het jaarlijkse symposium van Slachtofferhulp Nederland ook helemaal in het teken van herstelrecht stond. Een uitgebreid verslag van alle lezingen en workshops, met links naar verdere informatie, vind je hier.