Totaal aantal pageviews

maandag 21 maart 2011

Valse conclusies over valse aangiften

Ik ben niet zo’n fan van de Volkskrant. Veel van wat er in die krant staat heb ik al eerder, en beter, beschreven gezien in Trouw. Eigenlijk koop ik de zaterdagkrant alleen omdat je kunt sparen voor een serie DVD’s met het complete werk van de gebroeders Coen. En daarvoor hadden ze een mooie serie boekjes over architectuur. En daarvoor over schilderkunst. Het komt er op neer dat ik nu al bijna een half jaar lang elke zaterdag een krant koop waar ik niets aan vind. Maar ik moet één uitzondering maken en dat is de wekelijkse rubriek “Twijfel” door Hans van Maanen. Te vinden in het wetenschapskatern. Docenten onderzoekstechniek: ga naar LexisNexis en download daar alle artikelen van Van Maanen!

Van Maanen bespreekt iedere week  een onderzoek dat veel publiciteit heeft gehad. Aan de hand daarvan laat hij zien dat de werkelijkheid gemakkelijk te manipuleren is en dat we zinnen die beginnen met “Onderzoek heeft aangetoond dat….” in beginsel grondig moeten wantrouwen.

Afgelopen zaterdag had hij weer zo’n prachtig artikel. Onderzoek had aangetoond dat …..20% van de zedenaangiften door minderjarige meisjes waarschijnlijk vals was. Het onderzoek kreeg in de pers veel aandacht. Er werd nog net niet gezegd dat men het altijd wel gedacht had. Of toch wel. “De waarheidsvinder”  meldde triomfantelijk:  “Al jarenlang betogen wij dat er iets mis is met de wijze waarop er in Nederland met zedenzaken wordt omgegaan. Veel zedenrechercheurs gedragen zich meer als hulpverlener dan als opsporingsambtenaar en sluiten voortdurend hun ogen voor de mogelijkheid dat niet iedereen die zichzelf slachtoffer noemt dat ook is.”

Het onderzoek was uitgevoerd door het bureau Beke  en bestond uit een literatuuronderzoek, een enquete en een dossieronderzoek. Eerst gingen de onderzoekers in de literatuur na wat er bekend was over valse aangiftes van seksueel misbruik. De schattingen liepen uiteen van 1,5 tot 90%, dus dat schoot niet echt op. Daarna stuurden ze 25 vragenlijsten naar hoofden van de zedenafdelingen van de politieregio’s in Nederland. Daarvan kwamen er maar 9 terug, een respons van 36%. Een grote non-respons betekent dat je je gegevens met de nodige terughoudendheid moet interpreteren. Braaf noteren de onderzoekers dan ook  “De gegevens van deze negen regio’s zijn om die reden als indicatief en niet als representatief te beschouwen", om vervolgens toch gewoon los te gaan.

In de enquête vroegen ze hoe vaak het voorkwam dat meisjes tussen de 12 en de 18 een aangifte doen waarvan ze later zelf toegeven dat het een valse verklaring is. Ook wilden ze weten hoeveel twijfelachtige aangiftes er waren. In die vraagstelling ziet iets vreemds. Want het intrekken van een verklaring kan allerlei redenen hebben. Het kan zijn dat een meisje spijt krijgt van een valse aangifte. Maar het kan ook zijn dat ze onder druk gezet of zelfs bedreigd is. Of ze kan opeens op zien tegen alle consequenties. Maar een ingetrokken aangifte gelijk stellen aan een valse aangifte, dat is wel erg kort door de bocht.

Uit de enquête kwam naar voren dat in de deelnemende regio’s in 2008 574 aangiften gedaan waren waarvan er 8 ingetrokken waren. Dat komt neer op 1,4%.  Maar – en nu komt de grote truc – de onderzoekers besloten ook de twijfelachtige aangiften mee te tellen. De gevallen waarin de politieman of – vrouw sterk vermoedde dat het om een valse aangifte ging, maar waarin het meisje voet bij stuk hield. Dat bleek zo’n 17% van de aangiften te zijn.  Voor de duidelijkheid: het ging dus om een vermoeden of een gevoel van degene die de aangifte opnam. Een vermoeden dat niet onderbouwd hoeft te worden en dat wel of niet gegrond kan zijn. En daarmee kwam men uit op de conclusie dat een kleine 20% “twijfelachtig of vals is”.

Als je indruk wilt maken met je onderzoek moet je zorgen voor een pakkende samenvatting. Want niemand leest de methodenparagraaf en de resultaten. Managers, journalisten: ze lezen alleen de samenvatting. En daarom formuleerden de onderzoekers het in die samenvatting nog wat krachtiger: “Alles bij elkaar nemend, volgt daaruit dat een fors deel van de verhalen van minderjarige meisjes over het feit dat zij slachtoffer zijn geworden van een zedendelict (vermoedelijk) niet juist is.”

Voor de pers was dat nog niet genoeg. Die (de Volkskrant, RTL Nieuws) maakte er van dat een op de vijf aangiften “vermoedelijk vals” was en dat er daarnaast een nog grotere groep zou zijn die met een dubieus verhaal bij de politie zou komen. En zo werd het bedrog groter en groter.

Van Maanen bewaart de clou voor het laatst. Want waarom doet zo’n bureau zoiets? Dat blijkt op de laatste pagina van het rapport, onder het kopje aanbevelingen. De politie moet bureau Beke in de arm nemen om  zedenrechercheurs  te trainen in het beoordelen van aangiften van zedenzaken door minderjarige meisjes. Daar horen uiteraard ook intervisiebijeenkomsten en consensusbesprekingen bij, dus met dat meer blauw op straat zal het voorlopig wel niets worden. Bureau Beke is bereid om zulks tegen een redelijke vergoeding te doen.

Een schoolvoorbeeld van naar een conclusie toe schrijven en onderzoeken. Het trieste van dit voorbeeld is natuurlijk dat het effecten heeft op de manier waarop mensen naar zedenaangiftes kijken. Dat rechercheurs om de twee weken intervisie houden, het zij zo. En dat ze een aantal ochtenden naar een training moeten en dus niet op zoek kunnen naar de gestolen fiets van mijn zoon: soit. Maar dat rechercheurs vanuit een houding van argwaan naar slachtoffers van zedenmisdrijven gaan kijken of dat – erger nog – die slachtoffers na het lezen van zo’n krantenbericht misschien wel geen aangifte meer doen, uit angst niet te worden geloofd, dat is natuurlijk iets wat Anton van Wijk en Annemiek Nieuwenhuizen aangerekend mag worden.

Lees hier het artikel uit de Volkskrant en hier het bericht van de RTL-site

Bekijk hier de website van Hans van Maanen met een aantal van zijn artikelen.

woensdag 16 maart 2011

Louise de Marillac, patroonheilige van social work

Je hebt het je waarschijnlijk niet gerealiseerd maar vandaag – 15 maart –  was het de sterfdag van Louise de Marillac., die jullie natuurlijk allemaal kennen als de heilige Louise de Marillac. En het is niet helemaal toevallig dat die dag samenvalt met World Social Work Day, want Louise geldt sinds 1960 als de beschermheilige van de social workers. We hebben dan misschien geen BIG-registratie, maar een beschermheilige is toch ook heel mooi!

Wie was Louise de Marillac. Ze werd op 12 augustus 1591 geboren in Ferrieres-en-Brie, in de buurt van Meux, in Frankrijk. Men vermoedt dat ze een buitenechtelijk kind was. Haar moeder heeft ze nooit gekend. Haar vader was Louis de Marillac, lid van een vooraanstaande familie in het Frankrijk van die dagen. Haar broer, Michel de Marillac was een belangrijk iemand aan het hof van koningin Maria de Medici.

Ze groeide op bij de nonnen in Poissy. Ze kreeg daar een uitstekende opvoeding, te midden van de Franse elite. Aanvankelijk wilde ze in het klooster intreden, maar dat werd haar geweigerd. Haar biechtvader verklaarde dat God andere plannen met haar had. Haar oom arrangeerde een huwelijk met Antoine Le Gras, dat in 1613 voltrokken werd. Le Gras was een ambtenaar aan het hof van de Franse koningin. . Na zijn dood in 1625 kwam ze in contact met Vincentius a Paulo, naar wie later de Vicentiusvereniging werd genoemd .  Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Vincentiusvereniging

De twee konden het direct goed met elkaar vinden. Hij spoorde haar aan om aandacht te geven aan haar geloofsleven en werken van christelijke naastenliefde te gaan doen. Dat leidde er uiteindelijk toe dat zij samen organisatie oprichtten als doel had om zieken thuis te bezoeken en zo nodig te verzorgen. In het Frankrijk van die tijd was er geen georganiseerde zorg voor zieken en armen. Vincentius had enkele jaren daarvoor een organisatie, de Dames van Liefdadigheid in het leven geroepen. Die bestond uit een aantal vrouwen uit gegoede milieus die zich het lot van de armen en behoeftigen hadden aangetrokken. De Dames hadden wel het geld, maar niet het doorzettingsvermogen om zich te wijden aan het zware en vaak ook gevaarlijke (vanwege het risico op besmetting) werk. Hun enthousiasme werd dan ook snel minder. Louise en Vincentius beseften dat ze voor de zorg professionele mensen nodig hadden.  

De zeven werken van barmhartigheid

Louise ging daarom op zoek naar een andere groep vrouwen: jonge en eenvoudige vrouwen van het platteland, die van aanpakken wisten. Ze begon met vier vrouwen, die ze bij zich in huis nam en opleidde voor het zware werk dat ze te wachten stond. De vooropleiding duurde twee maanden, daarna acht maanden theorie en vijf jaar praktijk.

Het duurde niet lang of de vrouwen vroegen Vincentius toestemming om een religieuze orde te mogen stichten. Vincent vond het maar niets, omdat het werk geen strenge orderegels toeliet. Louise bleef aandringen en Vincentius bedacht de volgende oplossing: hij vormde een orde waaraan de zusters zich telkens voor de duur van één jaar mochten verbinden. Elk jaar op 25 maart kon ieder zich opnieuw verbinden of, als men dat wilde, de orde verlaten. De orde werd de orde van de Zusters van Liefde genoemd.

Onder de bezielende leiding van Louise groeide de organisatie snel en traden grote aantallen zusters toe. Louise reisde heel Frankrijk door en stichtte overal weeshuizen, ziekenhuizen en andere instellingen. Bij haar overlijden op 15 maart 1660 had de congregatie meer dan 40 huizen in Frankrijk. Daarna is het alleen maar verder gegaan en heeft de orde zich over de hele wereld verspreid. Anno 2011 zijn er ruim 18.000 zusters, verspreid over 2.200 gemeenschappen die in 91 landen werken.

Louise was een bijzondere vrouw. Ze wist haar depressies en de twijfels over zichzelf te overwinnen en wist een organisatie op te zetten die 350 jaar later nog steeds staat.  Voor een vrouw was buitenshuis werken in die tijd iets ongekends, maar Louise en Vincentius zagen kans om vrouwen op te leiden tot deskundige, zelfstandige werkende vrouwen. Er werden veel competenties verwacht van de vrouwen. Zo moesten zij een goede algemene ontwikkeling hebben. Maar ook  kameraadschap, eerlijkheid en teamspirit vond ze van groot belang. Louise en Vincentius  komt bovendien de eer toe dat ze als eersten gezien hebben dat de zorg voor zieken en armen niet iets was dat je er even bij doet, maar dat het een professionele training en een professionele beroepshouding veronderstelde.

Gisteren kreeg ik de nieuwsbrief van de NVMW, waarin werd aangekondigd dat 26 mei de dag van de maatschappelijk werker zou zijn. Op die datum in 1962 werd de Beroepscode voor de Maatschappelijk Werker gepresenteerd. Toch vind ik het jammer dat de hele wereld World Social Work Day op 15 maart viert en dat alleen Nederland een andere datum hanteert.  Ondanks de verwijzing naar 26 mei 1962 vind ik het van gebrek aan historisch besef en vooral ook aan internationale oriëntatie getuigen.  Ooit, nog niet zo lang geleden, was Nederland een gidsland op het gebied van het sociaal werk. Die tijd ligt achter ons. We zijn tegenwoordig blij met drie kleine masteropleidingen, terwijl in het buitenland grote aantallen social workers met een universitaire master afstuderen. We kunnen masters optuigen zoveel als we willen en misschien, als we lang wachten, wordt er ook nog wel eens een kleine functiegroep binnen het maatschappelijk werk geregistreerd in de wet BIG. Maar als we niet aansluiten bij internationale ontwikkelingen raken we verder achterop.

Website van de internationale organisatie Daughters of Charity.

De Zusters van Liefde hebben zelfs een weblog, met de fraaie titel Zusters van Liefde slijpen de messen!

dinsdag 15 maart 2011

Interessante gevangenissen

Gevangenissen in Nederland zijn net hotels. Rechters straffen veel te licht. Als je iemand doodsteekt kom je er met een taakstraf vanaf. TBS-ers worden veel te gemakkelijk met proefverlof gestuurd.


Zo maar wat opvattingen die je regelmatig hoort – aan de borreltafel, maar ook in het parlement. Maar wat vinden de gestraften er zelf eigenlijk van? De zesdelige VPRO-documentairereeks “Langgestraft” laat de gevangen zelf aan het woord en geeft de kijker een beeld van het leven achter de tralies.


Twee bekende strafrechtadvocaten, Willem Anker en John Peters, werpen met vijf langgestraften licht op het leven voor en na veroordeling. Hoe kwam je tot die gruwelijke daad? Hoe is het om jaren gevangen te zitten? Of hoe is het om te worden vrijgesproken maar door je omgeving blijvend als misdadiger te worden gezien? Hoe kijk je tegen de samenleving aan die je heeft uitgesloten? Hoe zie je de toekomst? En vooral: wat heeft de gevangenis gedaan met het beeld dat je van jezelf hebt?



FPC Veldzicht in Balkbrug

De eerste aflevering werd donderdag uitgezonden.  Daarin was Freddie te zien.  41 jaar, met achttien jaar TBS achter de rug. Op zijn negentiende stak hij bij een vechtpartij een bekende dood, dronken en onder invloed van hasj en heroïne. Nu woont hij in een huis, 50 meter buiten het hek van TBS-inrichting Veldzicht. Hij hoopt binnen afzienbare tijd voorwaardelijk vrij te komen.


De gemiddelde tijd dat TBS-ers zitten is de afgelopen twintig jaar flink toegenomen: van ruim vier jaar in 1990 tot ruim 10 jaar in 2010. Het aantal TBS-ers is daardoor sinds de jaren tachtig ook sterk gegroeid: van enkele honderden tot ruim tweeduizend.


In het verhaal van Freddie troffen mij een paar dingen. Allereerst hoe schijnbaar kleine dingen uit zijn jeugd, die de andere betrokkenen waarschijnlijk al lang vergeten zijn, hem bij zijn gebleven en deels ook gevormd hebben. In de tweede plaats Freddies beleving van de behandeling. “Het is een poppenkast, “ zegt hij. Als je het spel meespeelt dan ben je er met vier jaar uit. Laat je zien wie je echt bent, dan zit je wel wat langer. Het is de vraag of dat zo is, maar hij beleeft het wel zo.


De komende weken nog te bekijken op de donderdagen.  Bekijk hier de eerste aflevering : 


Misschien nog wel interessanter is de documentair Bastøy. Uit de toelichting bij de documentaire:


De 115 'gevangenen' op het Noorse eiland Bastøy zijn vrij om te gaan en staan waar ze willen, en wonen in blokhutten. De bewakers hebben geen wapens. Toch hebben de meeste mannen behoorlijk wat op hun kerfstok. Geweldsdelicten, fraude, drugshandel, zelfs moord. De meesten zitten de laatste fase van hun straf uit, en hebben gevraag om overplaatsen naar de eiland-gevangenis.


Kapteijns: “Deze film gaat over straffen. Maar de vraag is: worden mensen beter van een gevangenis? Als ze hun straf hebben uitgezeten, moeten ze toch terug de samenleving in”.  De mannen die hij volgde, doen hun best om er wat van te maken op het eiland. Ze spelen  gitaar, mesten koeienstallen uit,  helpen mee met de kerkdienst.


Per is 20 jaar lang drugsdealer geweest, en heeft ook in een ‘gewone’ gevangenis  gezeten. “In een gesloten gevangenis hoef je geen beslissingen te maken, hier moet je wel socializen.”  Hij weet zich geen raad met de vrijheid die hem te wachten staat, na jarenlange opsluiting is hij het contact met zijn familie verloren.


De filosofie van de Bastoy-gevangenis is gebaseerd op het gedachtengoed van twee indianen-opperhoofden: Chief Seattle en Bear Heart. De laatste schreef in zijn boek  Heaven is my mother: “Als je een mens als een beest behandelt, wordt hij een beest. Als je een mens als een crimineel behandelt, wordt hij een crimineel. Als je een mens als een mens behandelt, wordt hij een mens.”
Zo zijn de hoofdpersonages ook neergezet. Ze vertellen eerlijk wat ze doormaken, hoe ze tot hun daden zijn gekomen. Kapteijns volgt ze tot in de slaapkamer. Ook de moeilijke momenten komen aan bod.  Onderhuidse agressie, wanhoop, onzekerheid. De gezichten van de gevangenen spreken soms boekdelen. Na afloop kun je als kijker alleen maar hopen dat het goed komt


Bekijk hier de documentaire.


In Engeland is de regering – de vorige, onder leiding van Gordon Brown – begonnen met een interessant experiment. Men wil in het gevangeniswezen – of liever gezegd de reclassering – werken met Social Impact Bonds. Een jaar geleden is men in Peterborough Prison in Cambridgeshire begonnen met een pilot die een periode van zes jaar bestrijkt. Investeerders uit de particuliere sector steken 5 miljoen pond in een intensief programma voor opleiding en ondersteuning van kort gestrafte gevangenen die Peterborough Prison verlaten. In totaal zullen 3000 ex-gevangenen geholpen worden. De recidive ligt nu op 75% binnen een termijn van twee jaar.
Als dat percentage met meer dan 7,5 daalt, dan krijgen de investeerders hun geld met winst terug van de overheid. Het geld om de investeerders met winst (maximaal 13%) terug te betalen haalt de overheid uit de besparingen die ze realiseert doordat er minder recidive is. Het innovatieve aan dit systeem is dat betaling niet afhangt van het aantal geholpen cliënten of zelfs maar het aantal tevreden cliënten (“output”) maar van de maatschappelijke effecten van de hulpverlening (“outcome”).
Het werken met Social Impact Bonds kent een aantal grote voordelen:
  • het wordt aantrekkelijk om te investeren in preventie. In het oude financieringssysteem werd preventie vaak niet vergoed en hadden instellingen er dus ook geen belang bij. Het is bovendien een manier om meer geld in zorg en hulpverlening te genereren in een tijd waarin de overheid moet bezuinigen
  • de overheid hoeft alleen te betalen voor effectieve interventies; de private sector draagt het risico van niet-effectieve interventie
  • investeerders en hulpverleners hebben een prikkel om zo effectief mogelijk te werken. Immers: hoe beter het resultaat, hoe groter de opbrengst



Invoering van het systeem wordt inmiddels ook al voor andere sectoren overwogen, in Essex bijvoorbeeld voor de jeugdzorg .  Er zijn echter ook nadelen aan verbonden:
  • Er zal in ieder geval een systeem van voorfinanciering bedacht moeten worden. Effecten zijn vaak pas op langere termijn zichtbaar en zo lang zullen de meeste investeerders niet op hun geld willen wachten.
  • Investeerders zouden zich kunnen focussen op de doelgroepen met meeste kans op succes en de andere links laten liggen.
  •  In de jeugdzorg is er vaak sprake van een complex systeem van hulpaanbieders, waarvan een deel (bijvoorbeeld de kinderbescherming) niet onder het SIB-systeem zal komen te vallen. Het effect van een interventie is vaak mede afhankelijk van deze samenwerkingspartners. Investeerders heb daar dus geen invloed op. Het zou er zelfs toe kunnen leiden dat investeerders niet willen samenwerken met andere partijen, om vooral maar een zo duidelijk mogelijke koppeling te behouden tussen hun interventie


Lees hier een artikel uit de Guardian (inderdaad, alweer de Guardian) over het project in Peterborough.


Ga hier naar de website van Social Finance, een organisatie die actief is op het gebied van Social Impact Bonds

vrijdag 11 maart 2011

De capability approach en de civil society

Martha Nussbaum
De filosofe Martha Nussbaum heeft een visie op de rol van de overheid die sterk afwijkt van die van Cameron en Blond. Nussbaum is hoogleraar rechtsfilosofie en ethiek aan de Universiteit van Chicago; dezelfde Universiteit waar zowel de goeroe van het vrije marktdenken, Milton Friedman, als de huidige president van de VS, Barack Obama, les hebben gegeven.

Nussbaum ontwikkelde, samen met econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen, de capability approach. De capability approach stelt de menselijke waardigheid centraal en verdedigt het idee van de menselijke keuzevrijheid en van de mensenrechten. Nussbaum zet zich echter af tegen nieuw-rechtse bewegingen in de VS en ook tegen bepaalde liberale stromingen in Europa die zeggen dat de overheid zich moet beperken tot het beschermen van de “negatieve vrijheden”. Negatieve vrijheden hebben te maken met het recht om gevrijwaard te blijven van inmenging van anderen en met de bescherming van de eigen veiligheid en het eigen bezit. De aanhangers van nieuw-rechts (in de VS althans, de PVV heeft op bepaalde punten andere ideeën) zeggen , met andere woorden, dat de overheid moet zorgen voor meer blauw op straat en strengere straffen, maar dat ze zich niet moet bemoeien met of ik wel gezond leef en hoe hard ik rijd.

Het onderscheid tussen negatieve en positieve rechten is echter verwarrend. Alle rechten en vrijheden zijn vrijheden om iets te doen (positief, dus) en vereisen ook iets negatiefs, namelijk dat iemand (of de overheid) voorkomt dat anderen zich in mijn vrijheid inmengen. Alle vrijheden vereisen dus een actief ingrijpen van de overheid.

Maar Nussbaum gaat verder. Ze stelt dat de overheid verantwoordelijk is om de condities te scheppen waaronder mensen hun vrijheden kunnen verzilveren. Vrijheid van meningsuiting betekent niets als mensen geen goed onderwijs hebben kunnen volgen of als ze dagelijks aan het overleven zijn. De overheid heeft daarom een actieve verantwoordelijkheid om onderwijs, gezondheidszorg, non-discriminatie, gelijke kansen op werk en een minimumniveau van basiswelvaart te waarborgen.

De capability approach kijkt dus niet alleen naar de mogelijkheden die mensen in theorie hebben, maar ook naar de positie waarin ze verkeren en de bekwaamheden of mogelijkheden die ze daardoor feitelijk kunnen uitoefenen. Het is dan niet voldoende om vrijheden en mensenrechten in de wet vast te leggen of met de mond te belijden; je moet ook de voorwaarden scheppen waaronder mensen ze kunnen realiseren. Vrijheid heeft dus bepaalde sociale en economische omstandigheden nodig en de overheid moet die bevorderen. De capability approach zegt dus dat burgers niet gelijk zijn zo lang ze, vanwege armoede of andere barrières, niet in staat zijn gebruik te maken van hun rechten. In de Verenigde Staten is dat voor grote groepen werkende armen aan de orde.

Vertaald naar onze eigen civil society en naar de WMO zou dit betekenen dat je er als overheid niet bent als je voorzieningen schrapt en de verantwoordelijkheid weer teruglegt bij burgers. Simpel gezegd: als je de bibliotheek sluit, gaan burgers niet zelf een bibliotheek beginnen. Toch is dat precies wat dreigt nu het streven naar een civil society samenvalt met een economische crisis. Ik hoorde laatst een schrijnend verhaal van een oud-collega, een maatschappelijk werker. Een oude mevrouw van Syrische afkomst, die de taal slecht sprak, leed aan een ernstige ziekte. Haar man was al overleden; haar enige kind verstandelijk gehandicapt. Toen ze om huishoudelijke hulp vroeg kreeg ze te horen dat ze haar buren, die ze amper kent, om ondersteuning moest vragen.

Ambtenaren gaan op cursus, leren daar dat de burger op zijn eigen verantwoordelijkheid moet worden aangesproken en ontwikkelen vervolgens de vreemdste ideeën. Een collega vertelde mij onlangs over een gemeente in de Achterhoek die zich afvraagt waarom de gemeente voor verkeersdrempels bij scholen moet zorgen als het de burgers zijn die zelf voor gevaar zorgen door hun kinderen met de auto naar school te brengen. Ja, leuk, maar als ik zelf nou keurig iedere dag met mijn kinderen naar school wandel? Dan moet ik mijn medeburgers aanspreken op hun gedrag. Zegt de gemeente die zelf, ondanks de aanwezigheid van allerlei communicatie-adviseurs, nog niet eens in staat is om omwonenden te overtuigen van de noodzaak van een skatebaan voor tieners.
Bart Nooteboom
In een artikel in het Financieele Dagblad, toch werkelijk geen links krantje,  van 12 februari 2011 betoogde hoogleraar innovatiebeleid Bart Nooteboom (nee, geen familie van Martha) dat de overheid meer moet doen dan alleen maar lastige regels schrappen.
Innoverende ondernemers en vernieuwende burgers lopen aan alle kanten op tegen obstakels. Daar ligt een taak van de overheid, om obstakels op te ruimen, mensen die knel komen te zitten in maatschappelijke valkuilen en doolhoven te bevrijden, initiatieven te faciliteren en middelen en toegang te verschaffen.
Rechtvaardigheid wordt vaak gezien als een sociaal contract waarin mensen vanuit hun individuele belang tot een overeenkomst komen om zichzelf zo in te perken dat ze niet elkaar vernietigen in blind individueel belang van de ene ten koste van de andere. Maar de filosofe Martha Nussbaum heeft laten zien dat het idee van een soort contract tussen min of meer gelijke partijen de realiteit niet dekt. De realiteit is dat verschillende mensen verschillende mogelijkheden hebben, met ongelijke toegang en middelen. Dat is een gevolg niet alleen van individuele capaciteiten, maar ook van afkomst, achtergrond, omstandigheden, pech en gemangeld worden in bestaande structuren van macht, belangen, posities en rollen.
De economie loopt vaak vast, of vliegt uit de bocht, doordat partijen elkaar vastzetten in de onmacht van prisoner's dilemma's waar omarming in een groepsbelang het wijdere maatschappelijke belang fnuikt. Kijk maar naar de bankencrisis. Maar we zien het ook nu automobielfabrikanten al lang in staat zijn tot het maken van elektrische auto's, ze de invoering ervan uitstellen om de winsten uit bestaande technologie en producten zo lang mogelijk te rekken, totdat een ondernemende buitenstaander de doorbraak forceert. Dan moeten ze wel mee en drukken ze als het kan die ondernemer opzij.
En hier ligt nu de uitdaging voor een nieuw links: ervoor zorgen dat de mogelijkheden in orde zijn, het systeem deblokkeren waar het vastloopt en corrigeren waar het uit de bocht vliegt. Dat gaat veel verder dan alleen vermindering van administratieve lasten en ingewikkelde regels.
De uitdaging is dus om de rol van de overheid zodanig in te vullen dat ze mensen aanspreekt op hun vermogen tot zelfsturing en probleemoplossing en tegelijkertijd, mensen die door omstandigheden niet toekomen aan de realisering van die capabilities voldoende ondersteuning biedt.
Lees meer over de capability approach op de website van The Human Development and Capability Association

In 2009 zond de VPRO een documentaire uit waarin Martha Nussbaum met tien getalenteerde rechten- en filosofiestudenten de ethische aspecten van de economische crisis bespreekt.  De studenten dragen casuistiek aan in de vorm van gefilmde voorbeelden van de gevolgen van de crisis. De discussie gaat over onverantwoorde hypotheken, gedwongen huizenverkoop en de bonuscultuur bij de banken. Hieronder kun je deze documentaire bekijken.

vrijdag 4 maart 2011

De haken en ogen van de Big Society

De meesten van ons – tenminste degenen die 45 jaar of ouder zijn – associëren  president Lyndon B. Johnson met de Vietnamoorlog. “Johnson, moordenaar” was een veel gescandeerde kreet tijdens anti-Vietnamdemonstraties. Zelf had hij liever herinnerd willen worden vanwege een ander project.

Halverwege de jaren zestig lanceerde hij namelijk het idee van The Great Society. The Great Society was een enorme verzameling van overheidsprogramma’s die bedoeld was om de armoede in de VS uit te bannen en een eind te maken aan de rassendiscriminatie. De programma’s waren gericht op scholing, gezondheidszorg, grotestedenproblematiek en mobiliteit. Ze werden naderhand voortgezet door de presidenten Nixon en Ford. Een van de initiatieven die genomen werden was Head Start, een programma om kinderen uit achterstandsgezinnen voor te bereiden op school en ze hun achterstand in te laten lopen. Ondanks het feit dat Head Start het meest intensieve sociaal-wetenschappelijke programma uit de Amerikaanse geschiedenis was, vielen de resultaten tegen. Het werd in 1971 door president Nixon stopgezet. Voor veel van de betrokken wetenschappers was het een eerste aanleiding om meer te gaan kijken naar aanleg en genetische factoren als oorzaak voor achterstanden.

The Great Society kenmerkte zich door een groot optimisme over de maakbaarheid van de samenleving en de mogelijkheden van de sociale en de gedragswetenschappen. Het was een tijd van grote economische en technologische bloei en ondanks de oorlog in Vietnam was er aan geld geen gebrek.
Bekijk hieronder een videofragment over de Great Society:



In Engeland heeft premier Cameron een heel ander soort plan op de agenda gezet; dat van de Big Society. De overeenkomst in naam lijkt mij niet geheel toevallig. Waarschijnlijk wil Cameron zich er juist mee afzetten tegen degenen die de overheid als de Grote Regisseur van de maatschappelijke werkelijkheid zien. The Big Society werd tijdens de verkiezingen van 2010 door de conservatieven gepresenteerd als hun idee voor de samenleving van de toekomst.

Stel je voor: Mark Rutte die zich laat inspireren en influisteren door een politiek denker en filosoof. Die zich niet bezig houdt met hoofddoekjes en met de vraag waar je 130 kunt rijden, maar die een visioen uitdraagt van een betere samenleving. Stel je dat allemaal voor en je komt uit bij David Cameron, sinds afgelopen mei de premier der Britten. Dat is in ieder geval hoe Cameron graag wil dat wij hem zien en hoe hij het waarschijnlijk ook in alle oprechtheid wel bedoelt.

Die ideoloog achter David Cameron is Phillip Blond, theoloog, politiek denker en conservatief.  Jos van der Lans, toch waarlijk geen rechtse rakker,  volgde zijn lezing en raakte onder de indruk. In een artikel in het Tijdschrift voor de Sociale Sector van maart 2011 beschrijft hij Blond als de man van de terugkeer naar conservatieve waarden. De man die betoogt dat het sociale cement uit onze samenleving is verdwenen en dat dat te wijten is aan zowel het liberalisme als de sociaal-democratie. Die visie ontvouwt hij in zijn boek Red Tory. How Left and Right Have Broken Britain and How We Can Fix It,  dat een jaar geleden verscheen.


Het kabinet Pierson (1897-1901)
Het waren immers de conservatieven die zich het lot van de armen aantrokken en zo de basis legden voor de moderne verzorgingsstaat.  Het levende bewijs daarvan zien we nu nog in de parken in Enschede en in het Tuindorp in Hengelo. Voorzieningen die fabrikanten aanlegden zodat hun arbeiders het beter zouden krijgen. Van der Lans noemt in zijn artikel (ook te vinden op zijn weblog, http://www.josvdlans.nl/weblog.asp?Maand=3&Jaar=2011 ) een indrukwekkende lijst met sociale wetgeving die het conservatieve kabinet Pierson rond 1900 tot stand bracht.

Dit maatschappelijk betrokken conservatisme is volgens Blond volkomen overvleugeld door een liberalisme dat mensen ziet als op zichzelf staande individuen in een samenleving waarin de markt de sturende kracht is. Maar ook links krijgt er van langs. Dat heeft via de staat geprobeerd de burger te verheffen naar een niveau waarin hij anderen niet meer nodig had. De effecten waren rampzalig. Blond noemt een lijstje waar je niet vrolijk van wordt: verwaarloosde opvoeding, uiteenvallende families, onderlinge onverschilligheid, anonimisering van relaties en consumptief gedrag. Maar belangrijker misschien nog wel: sociale gemeenschappen werden verwoest en mensen werden afhankelijk gemaakt van de staat.

Blond pleit voor een nieuwe manier van denken. Een uitweg uit enerzijds het liberalisme en anderzijds het etatisme (de neiging om het heil te verwachten van de staat) die beide van de burger een geïsoleerd, verwend kind hebben gemaakt dat materieel niets tekort komt, maar emotioneel verwaarloosd is. Hij wil burgers zeggenschap geven over en daarmee verantwoordelijk maken voor grote delen van het openbare leven: onderwijs, buurthuizen, als het kan zelfs openbaar vervoer en de verwerking van huisvuil. Daar kunnen ze dan wel geld voor krijgen van die overheid, maar ze bepalen zelf hoe ze het organiseren en ze steken ook zelf de handen uit de mouwen. Dat gaat nog een flink stuk verder dan onze WMO die alleen maar gaat over ondersteuning van personen die de aansluiting met de samenleving dreigen te verliezen.

Maar nu de praktijk.

Cameron probeert dit ideaal te realiseren in een tijd waarin hij gigantische bezuinigingen moet doorvoeren. En daar lijkt het mis te gaan. Want je kunt er niet  van uitgaan dat, als je de bibliothecaris wegbezuinigt, burgers zelf wel de bibliotheek gaan beheren. Goed, in Egypte en Libië valt het gezag weg en organiseren burgers spontaan nieuwe maatschappelijke structuren. Maar dat is een tijdelijke situatie, in de honeymoonfase van de revolte. En zelfs daar beginnen nu de eerste scheurtjes al zichtbaar te worden.

Op de site van de Joseph Rowntree Foundation betoogt John Low dat  Engeland een lange traditie kent van “community work”, een vorm van social work die het meest lijkt op wat wij opbouwwerk noemen. Allerlei buurtgerichte initiatieven en de bijbehorende know how dreigen nu door de bezuinigingen te worden opgedoekt terwijl er niets nieuws tegenover staat. Wat Low eigenlijk zegt is dat zelfregie en burgerparticipatie alleen maar werken als mensen daar bij ondersteund worden. Als er iemand is die ze leert hoe het moet.

In een commentaar in The Independent wijst Johann Hari op het werk van de bekende socioloog Etzioni. Die deed een groot internationaal onderzoek naar vrijwilligerswerk. Daar waar de overheid welzijn het meest subsidieert wordt ook het meest aan vrijwilligerswerk gedaan. Zweden heeft de meeste vrijwilligers in Europa en het voormalige Oostblok de minste. Massachusetts, waar de belastingen hoog zijn: een sterk vrijwilligerswerk. Mississippi: weinig belastingen, maar ook weinig vrijwilligerswerk. Een sterke overheid trekt juist vrijwilligers aan. Omdat men het geld heeft om vrijwilligers te trainen en te ondersteunen. Maar ook omdat in een samenleving met een sterk sociaal vangnet mensen niet zo snel bang zijn om hun baan te verliezen en ze hun medeburgers genoeg vertrouwen en ze iets terug te willen geven.

Low eindigt zijn artikel met vier vragen aan de regering:
  • waarom zou je datgene vernietigen wat je zegt na te streven?
  • als projecten niet meer gesubsidieerd mogen worden, waar blijft dan de overbrugging die nodig is om te zorgen dat waardevolle initiatieven niet verloren gaan?
  • als je overgaat naar een ander systeem van fiancieren en organiseren, hoe zorg je dan dat je de in het verleden opgebouwde kennis en ervaring behoudt?
  • middle-class buurten redden het misschien wel. Uit onderzoek is bekend dat juist in de middenklasse de bereidheid om vrijwilligerswerk te doen het grootst is. Hoe zorg je dat je de allerarmste en allerzwakste buurten niet net over de rand duwt?
Hier in Nederland ontbreekt, zoals gezegd, een visionair plan als dat van Blond. Wel bevatten  de WMO en Welzijn Nieuwe Stijl elementen die er aan doen denken.  En net als in Engeland wordt in Nederland de fout gemaakt te denken dat burgers heel gemakkelijk in de gaten zullen stappen die door de bezuinigingen geslagen worden.  

(met dank aan Jos van der Lans voor zijn uitstekende artikel)

Binnenkort: de visie van Martha Nussbaum op de rol van de staat.


Sommige social workers in Engeland moeten door de bezuinigingen flink inleveren; soms tot ₤ 6000 per jaar. Zie:


Ook in de zorg wil Cameron de beslissingsbevoegdheid zo dicht mogelijk bij de burger leggen. Wouter Bos, tegenwoordig werkzaam bij KPMG, ziet dat wel zitten:

In De Volkskrant stond onlangs een uitstekend interview met Phillip Blond  

Hieronder: David Cameron probeert de Big Society uit te leggen in  programma BBC Breakfast. Het lukt alleen niet zo goed.



Philip Blond was op 7 februari in De Balie in Amsterdam. Hij ging daar in debat met Jan Marijnissen. Bekijk hier de lezing en het debat.

Philip Blond tijdens een van de bekende RSA-lezingen

woensdag 2 maart 2011

Taal en de ontwikkeling van de Theory of Mind

Nou vooruit, één berichtje nog, omdat er vandaag zo veel interessant nieuws was.
Het taalniveau van jonge kinderen speelt een belangrijke rol bij hun vermogen om zich in een ander in te leven. Dat concludeert taalwetenschapper Hannah De Mulder in haar proefschrift, waarop ze op 4 maart promoveert (“hoopt te promoveren”,  hoor je dan altijd te zeggen) aan de Universiteit Utrecht. Het leren van een eerste taal is daarom niet alleen belangrijk voor kinderen om zich te kunnen uitdrukken, ook hun sociale ontwikkeling is erbij gebaat.

In haar proefschrift beschrijft De Mulder de volgende situatie.
Een driejarig kind krijgt een zakje chips te zien en wordt gevraagd wat hij denkt dat er in de chipszak zit. De typische driejarige zal ‘chips’ antwoorden. Vervolgens mag het kind zien wat er echt in het zakje zit: het zakje bevat geen chips, maar gummetjes. Nadat het kind deze vreemde inhoud heeft opgemerkt, wordt hem het volgende gevraagd: “Jouw beste vriend heeft dit zakje nog nooit eerder gezien. Wat zal je vriend zeggen als we hem vragen wat er in het zakje zit?” De meeste driejarigen zullen hun eerste reactie vergeten zijn en ‘gummetjes’ antwoorden.

Zo'n oefeningetje wordt een "false belief test genoemd". Pas als kinderen een jaar of vier zijn, beginnen ze te begrijpen dat de vriend niet kan weten dat er geen chips, maar gummetjes in het zakje zitten en dus ook nooit het goede antwoord kan geven. Als kinderen dit ontwikkelingsstadium hebben bereikt, wordt er gezegd dat ze een ‘Theory of Mind’ (ToM) hebben. Ze zijn zich er dan van bewust dat anderen eigen gedachten en een eigen perspectief hebben die kunnen afwijken van hun eigen gedachten en gevoelens.

Pas rond hun vierde of vijfde beginnen kinderen te snappen dat anderen dingen kunnen denken die verschillen van wat zij zelf denken. In haar proefschrift heeft De Mulder onderzocht of er een verband is tussen het inlevingsvermogen en de taalontwikkeling van het kind. Ze bekeek of de ontwikkeling van taal het vermogen beïnvloedt om je in een ander in te leven, of dat andersom juist het inlevingsvermogen cruciaal is voor de ontwikkeling van taal. De resultaten tonen aan dat inlevingsvermogen wel een rol speelt bij het leren van sommige onderdelen van taal (met name woordenschat), maar dat vooral het taalvermogen van het kind bepalend is voor zijn inlevingsvermogen.

Het onderzoek van De Mulder was longitudinaal  van opzet. Dat wil zeggen dat zij de kinderen door de tijd heen volgde en hun ontwikkeling vergeleek. Op twee meetmomenten bekeek zij het taal- en inlevingsvermogen van vier- en vijfjarige kinderen. 'Als je gegevens van twee meetmomenten hebt, kun je kijken of je de taalontwikkeling kunt voorspellen uit het inlevingsvermogen van het kind, of juist andersom', legt De Mulder uit. Uit de resultaten blijkt dat eerder taalvermogen het latere inlevingsvermogen voorspelt. Taalontwikkeling is dus belangrijk voor kleuters.' In de acht maanden tussen het eerste en het tweede meetmoment verbeterde bij de jonge kinderen het vermogen om zinnen te begrijpen, de woordenschat en het inlevingsvermogen. De Mulder: 'De meest interessante bevinding is dat het begrip van zinnen als "zet de man naast het paard" en "plaats de kip achter het hek", zinnen waarin een ruimtelijk voorzetsel voorkomt, voorspellend bleek voor het latere vermogen van een kind om zich in een ander in te leven."

Het idee daarachter is dat termen als 'achter', 'voor' en 'naast' verschillende perspectieven uitdrukken. 'Afhankelijke van waar je staat, is de boom achter, voor of naast het huis. Begrijpen dat dit afhankelijk is van je eigen positie lijkt de basis voor het inlevingsvermogen', vertelt De Mulder. 'Het betekent dat je bijna letterlijk in andermans schoenen kunt staan. Je kunt je dan daadwerkelijk verplaatsen in het perspectief van de ander.'

Een en ander roept natuurlijk de vraag op wat dit betekent voor de ontwikkeling van kinderen die een taalachterstand hebben omdat thuis geen Nederlands gesproken wordt. De redenering van De Mulder volgend hoeft dat echter geen probleem te zijn, als kinderen maar – in welke taal dan ook -  geprikkeld worden om hun taal te ontwikkelen. Het gaat immers niet zozeer om de concrete woorden, maar om het begrip. Wel kun je je voorstellen dat kinderen met wie niet gespeeld of gezongen wordt en die niet voorgelezen worden een achterstand oplopen. De Mulder daarover: 'Voorlezen heeft bijvoorbeeld een positief effect op de sociale ontwikkeling en de schoolrijpheid. Voorschoolse aandacht voor taalontwikkeling en aandacht besteden aan het taalniveau van kinderen kan sowieso nooit kwaad. Maar het is ook weer niet zo dat het vreselijk misgaat met kinderen die woorden als "naast" of "achter" pas wat later begrijpen.'


Bron: Zorg+Welzijn

Lees hier het hele proefschrift  (vanaf pagina 193 vind je een samenvatting in het Nederlands)  

Theory of Mind (of liever gezegd het ontbreken ervan) wordt vaak genoemd in samenhang met stoornissen uit het autismespectrum. Op de website van Participate! , een Belgisch kenniscentrum over autisme lees je er meer over. 

Lees hier een artikel uit de New Scientist (2009) over eerder onderzoek naar de ontwikkeling van de Theory of Mind bij bijvoorbeeld blinde kinderen en bij mensen die in een gemeenschap wonen waar iedereen doof is. Ook daar bleek al dat taal belangrijk was dan het zien voor de ontwikkeling van een Theory of Mind.
Bekijk hieronder een korte video over Theory of Mind en de false belief test

dinsdag 1 maart 2011

De professor, de huisarts en de depressieparadox

Vandaag kwamen er een boel interessante berichtjes binnen. Ik kan ze niet allemaal bespreken maar een ervan wil ik toch wel noemen. Op 15 februari werd Peter Verhaak geïnstalleerd als hoogleraar "Geestelijke gezondheidszorg in de huisartsvoorziening" aan de Rijksuniversiteit Groningen. 

In zijn oratie besteedde Verhaak aandacht aan de depressieparadox. Dat is een term die de laatste tijd steeds vaker valt. Hij is in 2004 voor het eerst gebruikt door Ormel, Bartel en Nolen. De paradox houdt in dat er steeds meer bewezen effectieve behandelingen voor depressie komen, maar dat de prevalentie (zeg maar het aantal mensen dat in een jaar aan een depressie lijdt) niet daalt. Voor bepaalde groepen (jonge vrouwen, mensen met een lage sociaaleconomische status) lijkt er zelfs sprake van een toename. En laat de website van de BBC nu net vandaag melden dat er de komende jaren ook nog een toename van het aantal depressieve mannen verwacht wordt! 

Dat het aantal depressieve mensen niet minder wordt, wordt meestal verklaard vanuit het feit dat lang niet alle mensen met een depressie hulp zoeken. Een andere verklaring is dat behandelingen niet uitgevoerd worden zoals ze bedoeld zijn. Vooral bij huisartsen zou dat het geval zijn. Uit onderzoek bleek dat zij bij depressieve patiënten maar in 40% van de gevallen volgens de behandelrichtlijnen werken. (Zie de huisartsenrichtlijn depressie) En een laatste verklaring kan zijn dat mensen zich zelf niet aan de behandelvoorschriften houden.

Als oplossing voor de depressieparadox pleiten velen voor een nog intensievere behandeling, meer protocollen en het inzetten van meer specialistische expertise.

Verhaak vroeg zich echter af of de problemen in de huisartspraktijk wel vergelijkbaar zijn met de psychiatrische aandoeningen waarvoor de specialistische geestelijke gezondheidszorg evidence based behandelingen biedt. Gaat het in de kliniek gevonden bewijs ook wel op in de huisartspraktijk? Behandelt de huisarts wel dezelfde aandoeningen als de psychiater? Of behandelt hij mensen met levensproblemen die daarbij begeleiding nodig hebben? Er zijn in ieder geval genoeg onderzoeken die laten zien dat interventies die effectief zijn in de tweede lijn, dat in de eerstelijns huisartsenzorg helemaal niet zijn.

Bovendien blijkt uit onderzoek van het NIVEL, het onderzoeksinstituut voor de eerstelijns zorg, dat:
·       depressieve patiënten die niet volgens de richtlijn behandeld worden vaak aan het begin al minder ernstige klachten hebben dan mensen die wel volgens de richtlijn behandeld worden
·      de klachten van deze groep net zo veel verminderen als die van de groep die een behandeling “uit het boekje” krijgt

Het lijkt er, kortom, op dat huisartsen bij het begin van de behandeling al een onderscheid maken tussen ernstige en minder ernstige klachten.

Verhaak pleit voor een onderscheid tussen patiënten met ernstige psychopathologie, die daarvoor de juiste behandeling moeten krijgen, en patiënten met symptomen die daar weliswaar op lijken, maar die meer baat zouden hebben bij een niet psychiatriserende benadering vanuit de huisartspraktijk. “Niet iedereen die in de put zit, heeft een zware depressie. Een diagnose depressie kan er toe leiden dat deze groep patiënten en hun omgeving zich naar die diagnose gaan gedragen. De patiënt is overgeleverd aan een dreiging van buiten en moet maar afwachten of de medicatie of andere therapie deze de baas wordt. Werkt het niet, dan zal het gevoel van machteloosheid alleen maar toenemen. Werkt het wel, dan is het de vraag wanneer de patiënt weer zonder kan.”

De rol van de huisarts blijft dus cruciaal. Hij moet wel steun hebben van praktijkondersteuners en eerstelijnspsychologen, maatschappelijk werkers en sociaal psychiatrisch verpleegkundigen. “Wellicht noemen we dit in de nabije toekomst wel de Basis-GGZ”, aldus Verhaak. “Een erg interessante onderzoeksvraag is dan vervolgens, tot welke mate van ernst deze Basis-GGZ met kortdurende behandeling psychische problematiek aankan en wanneer verwijzing naar de medisch specialist noodzakelijk is.” In ieder geval ligt  hier ook een taak voor maatschappelijk werkers, die vooral ook de invloed van de omgeving en de interactie met die omgeving in beeld kunnen krijgen en kunnen beïnvloeden. Daarvoor zullen ze dan wel over een stevige basis aan psychiatrische kennis moeten beschikken.

Laat dat nu treffen! Want op http://socialworkpodcast.blogspot.com/2007/01/dsm-diagnosis-for-social-workers.html kun je luisteren naar het eerste van een serie van twee hoorcolleges met als titel DSM Diagnosis for Social Workers. Jonathan Singer behandelt daarin onder andere de ontstaansgeschiedenis van de DSM en het verschil tussen een diagnose en een biopsychosocial-spiritual assessment.

Lees hier het artikel uit het tijdschrift voor psychiatrie waarin Ormel, Bartel en Nolen voor het eerst de term depressieparadox gebruikten.


Lees hier de oratie van  Peter Verhaak