Totaal aantal pageviews

vrijdag 25 november 2011

Veterinaire geestelijke gezondheidszorg

Lang geleden, toen ik stage liep bij het Algemeen Maatschappelijk Werk, had ik een begeleider die de term veterinair maatschappelijk werk gebruikte. Niet erg politiek correct, toen niet en zeker nu niet, maar het was me wel direct duidelijk wat hij bedoelde. Volgens hem was er een bepaald type cliënt of cliëntsystemen, waar het zinloos was om te werken via het geven van inzicht. Die mensen of die gezinnen moest je min of meer dresseren door te werken met straffen en belonen. Dat was het enige wat werkte. Ik geloof dat ik lichtelijk geschokt was toen ik hem voor het eerst die term hoorde gebruiken, al deed hij dat wel met een zekere ironie. Nu zou ik eerder geneigd zijn te denken dat hij cynisch geworden was door de weerbarstigheid van de problematiek.

Veterinaire hulpverlening kan zich echter ook op een heel andere manier manifesteren: met dieren in de rol van hulpverlener. Vooral voor kwetsbare mensen kunnen dieren veel betekenen. Iedere hulpverlener kent wel de wat geïsoleerd levende, ietwat zonderlinge cliënt met een huis vol dieren. Toen ik nog in de schuldhulpverlening werkte waren die dieren vaak een onkostenpost waarop absoluut niet bezuinigd kon worden. Liever nog at de cliënt zelf een paar dagen niet.

In de geestelijke gezondheidszorg wordt er nog maar op kleine schaal gebruik gemaakt van dieren. Bekend is onder meer de inzet van paarden. Ook van dolfijnen wordt vaak gebruik gemaakt, al zijn er wel twijfels over de effectiviteit  Wat opvalt als je het googelt op “dolphin therapy” is de grote verscheidenheid aan commerciële aanbieders en de vaak zeer forse prijzen die gevraagd worden.

Katten als medebehandelaars was ik nog niet tegengekomen. Vanmorgen kreeg ik echter de digitale nieuwsbrief van PSY in mijn mailbox (zowel blad als nieuwsbrief houden tot mijn grote verdriet volgend jaar op te bestaan). Daarin een bericht over bewoners van de gesloten geriatrische afdeling De Lake van GGZ Westelijk Noord-Brabant. Die krijgen sinds dit voorjaar regelmatig bezoek van drie katten van de Stichting ZorgDier Nederland. Volgens Jan van Summeren, voorzitter van de stichting, worden er geweldige resultaten geboekt. ‘Dankzij de katten kan er contact gemaakt met cliënten die de buitenwereld normaal niet of moeilijk toelaten.

Zorgdieren worden nog nauwelijks ingezet in de psychiatrie. Volgens Van Summeren heeft dat vooral te maken met onbekendheid. ‘Instellingen zijn vaak niet op de hoogte van de voordelen van het inzetten van zorgdieren.’ Stichting ZorgDier Nederland wil daar verandering in brengen en startte het project bij GGZ WNB. Studenten van de Christelijke Agrarische Hogeschool in Dronten en de Hogere Agrarische School in Den Bosch onderzoeken de behoefte aan contact met katten in de psychiatrie en op welke wijze hieraan kan worden voldaan.

Als er al zorgdieren worden ingezet in de psychiatrie, zijn dit volgens Van Summeren vooral honden. ‘Wij hebben bij dit project bewust gekozen voor katten, omdat zij veel geschikter zijn voor de omgang met psychiatrische patiënten. Het zijn zelfstandige dieren die heel goed tegen afwijkend gedrag kunnen. Als iemand bijvoorbeeld heel nerveus is, reageert een hond daar op. Bij katten is dat niet geval. Daar komt bij dat veel cliënten echte kattenmensen zijn. Als hen gevraagd wordt om een belangrijk persoonlijk voorwerp te laten zien, is dat regelmatig een foto van een kat.”


De katten van Stichting ZorgDier Nederland zijn speciaal getraind voor de omgang met psychiatrische patiënten. Bovendien zijn ze op de afdeling altijd aangelijnd.  Volgens Van Summeren zijn zowel de cliënten als de medewerkers van De Lake bijzonder enthousiast over de bezoekjes van de katten. ‘Als iemand een laag zelfbeeld heeft, voelt contact leggen met een kat veilig. Maar het helpt cliënten ook om met elkaar te praten en in beweging te komen door de dieren bijvoorbeeld te borstelen of aaien.’ Hoe de katten het vinden, vermeld het artikel niet
Een mooi voorbeeld van de resultaten die geboekt worden op de afdeling, vindt Van Summeren een cliënt die normaal gesproken nooit naar de activiteitenmiddag gaat. ‘Dat is een keurige man die altijd een stropdas draagt en een stevige handdruk geeft. De knutselmiddagen op de afdeling waar vooral vrouwen zijn, zijn niets voor hem. Maar omdat hij gek is op katten, komt hij wel als wij er zijn. En dan durft hij zich te manifesteren. Dat is fantastisch om te zien.’ Hoewel niet alle cliënten van De Lake enthousiast reageren als de katten langskomen, worden zij volgens de voorzitter wel degelijk getriggerd door de dieren. ‘Soms blijven ze een uur lang stilzitten en zeggen ze niets. Maar hun ogen volgen de katten constant. En dat is een goede eerste stap.’
Het project bij GGZ WNB wordt de komende tijd uitgebreid. Nu komt één van de begeleiders van Stichting Zorgdier regelmatig langs bij De Lake, maar dit worden vijftien mensen die ook andere afdelingen bezoeken. Daarnaast gaan de Stichting mensen die af en toe met hun dier langskomen bij de instelling omdat ze iets willen doen voor cliënten uitnodigen voor een professionele opleiding. Van Summeren: Met de resultaten die we nu hebben geboekt, is het namelijk belangrijk dat de bezoekjes van de katten structureel worden.

Bron: Psy.nl

Kijk hieronder naar een korte reportage van Omroep Brabant:



maandag 31 oktober 2011

De GGz als vriend

In 1972 verscheen de verhalenbundel Keefman van de tot dan toe vrij onbekende schrijver Jan Arends. De bundel was gebaseerd op Arends’ eigen ervaringen in de psychiatrie en de verslavingszorg en gaf een rauwe beschrijving van het leven van iemand die voortdurend botst met zijn omgeving en zijn behandelaars. In het verhaal Keefman richt de hoofdpersoon zich in zes brieven tot zijn psychiater waarbij hij hem voortdurend aanspreekt als “Vriend” en zich afvraagt waarom hij zich niet, net als een verpleegkundige, mag inzetten voor de “psychiatrisch gestoorde medemens”. Arends zou twee jaar later een eind aan zijn leven maken door uit het raam van zijn flat te springen.


Sinds kort is er een nieuwe organisatie op het terrein van de psychiatrie actief. Geïnspireerd door de verhalen van Arends hebben de initiatiefnemers hun organisatie Vriend GGz genoemd. Tot mijn verbazing - omdat ik er niets over gehoord had - ontdekte ik dat Vriend GGz ook een vestiging in Enschede heeft. De organisatie exploiteert drie Vriendenhuizen, in Amsterdam, Velp en, zoals gezegd, Enschede. Een Vriendenhuis houdt het midden tussen een zorghotel en een activiteitencentrum. Iemand die zich aanmeldt wordt van meet af aan in de organisatie betrokken. Dit meedoen wordt gezien als de eerste stap op weg naar herstel. Mensen kunnen bijvoorbeeld werkervaring opdoen door bepaalde taken in de organisatie (receptiewerk, administratie) uit te voeren.


De opvang en begeleiding wordt geboden door professionals en ervaringsdeskundigen. De organisatie gelooft dan ook in de gelijkwaardigheid van ervaringsdeskundigen en professionals. Opmerkelijk daarbij is dat er nauwelijks een scheiding is tussen privé en werk. Vriend GGz gelooft erin dat het zo gemakkelijker is om aansluiting te vinden bij de cliënt. Sterker nog: op de website wordt aan potentiële cliënten gemeld dat zij ook als lotgenoot en ervaringsdeskundige voor anderen kunnen fungeren.
De filosofie doet mij sterk denken aan die van Synanon, een organisatie die al meer dan 40 jaar verslavingszorg door ex-verslaafden aanbiedt (al gaan zij er vanuit dat een verslaafde altijd verslaafd blijft en hooguit abstinent kan zijn).

Via een andere associatie moest ik denken aan een artikel over Nederlands onderzoek waarover ik vandaag las op een Engels blog. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat de meeste mensen met psychische problemen desondanks redelijk gelukkig zijn. Iets minder dan mensen zonder psychische problematiek, maar toch... De onderzoekers waarschuwen dat teveel aandacht voor alles wat er mis gaat in het leven van de cliënt en te weinig aandacht voor positieve zaken, er toe kan leiden dat een behandeling minder effectief is.

Ik ben benieuwd of er al onderzoek gedaan is naar de resultaten van Vriend GGz. Ik begrijp wel dat zorgverzekeraars de organisatie financieel mogelijk maken. Maar die vergoeden behandelingen (homeopathie, accupunctuur) waarvan het effect nog veel meer omstreden is, dus dat zegt niet zoveel.

Psychiatrische patiënten zelf de regie over hun leven en hun behandeling laten voeren, daar gaat het om in het werk van Vriend GGz. Hieronder is een korte film van Wim Kannekens over Vriend GGz te zien.


zondag 30 oktober 2011

De Kinderen van de Hondsberg revisited


De Hondsberg is een observatiecentrum voor kinderen met een lichte verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen. In 1998 zond de NCRV een vijfdelige documentaireserie uit over dit centrum. De serie liet zien hoe medewerkers van het centrum de kinderen en hun ouders met veel liefde, maar ook met vallen en opstaan begeleidden.




Dertien jaar later zocht de maker van de serie, Roel van Dalen, de kinderen opnieuw op om te zien hoe het ze sindsdien vergaan was. Van zes van hen maakte hij een portret. Met sommigen bleek het verrassend goed te gaan; van anderen werd duidelijk dat ze altijd in een instelling zouden moeten blijven. De vooruitzichten van de onhandelbare Boyce waren in 1998 weinig rooskleurig. Maar hij heeft zelfstandig een eigen leven opgebouwd. Terugkijkend op zijn jeugd, stelt Boyce dat hij alles anders aan zou pakken: ‘Als ik kinderen zou krijgen, zou ik het tien keer beter doen, ik zou ze zoveel liefde geven.’

Aangrijpend is het bezoek dat de volwassen Boyce aan De Hondsberg brengt. Dan wordt pas duidelijk hoe diep het verblijf in de instelling, ondanks alle goede bedoelingen en alle zorg van de medewerkers, ingegrepen heeft in zijn leven. Het kleine ettertje dat in de eerste leefgroep niet te handhaven was, miste zijn vader – die hem verwaarloosde -  en vooral zijn zusje, maar had besloten om zijn kwetsbaarheid te verstoppen achter een stoere façade Sowieso was ik onder de indruk van de voorbeelden van gehechtheid tussen broers en zussen. Zoals bij Terrence, wiens broers en zus nog altijd intensief met hem optrekken, ook nu hij volwassen is.

Ook bijzonder was het om te zien hoe moeilijk het voor ouders was om hun kind los te laten. Het meest aangrijpend waren wel de beelden van Celine, een adoptiekind met hechtingsproblemen, en haar ouders. De beelden laten zien hoe ze bij het afscheid na het wekelijkse bezoek eerst weigert om afscheid te nemen, dan toch maar achter haar ouders aanloopt als die naar de voordeur gaan, vervolgens moeder een klap in het gezicht geeft als die haar een zoen wil geven en dan naar buiten loopt als de auto van haar ouders wegrijdt. Alsof ze eigenlijk toch meegewild had.

De documentaire maakt verder goed duidelijk hoe onmogelijk het eigenlijk voor kinderen is om zich opnieuw te hechten en een veilig plekje te vinden in de groep. Dat ligt niet aan de professionals die hun werk met een bewonderenswaardige liefde en betrokkenheid doen, maar aan het feit dat een kind bijna nooit lang op de groep blijft en dat die groep ook nog eens voortdurend wisselt.
Tegelijkertijd zat ik de documentaire ook te bekijken met in mijn achterhoofd de vraag hoe alle bezuinigingen op zorg, op PGB's en vooral ook op de sociale werkvoorziening voor deze groep zullen uitpakken. Wat dat laatste betreft maakten de verhalen van Niels en Terrence duidelijk dat veel werkgevers in het vrije bedrijf - de goeden niet te na gesproken - nog steeds niet zitten te wachten op werknemers met een beperking, de mooie verhalen van politici ten spijt.

De Kinderen van de Hondsberg – 2011 is een belangrijke documentaire voor aanstaande groepsleiders. Hij laat zien hoe je altijd, hoe goed je ook je best doet, tekort schiet als groepsopvoeder, omdat je nooit meer dan een surrogaat kunt zijn voor de gehechtheid aan ouders, broers en zussen. De documentaire is op het Nederlands Filmfestival in Utrecht onderscheiden met de publieksprijs.

Kijk hieronder naar het eerste deel van  De Kinderen van de Hondsberg -2011

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

En hieronder naar deel 2:

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.

vrijdag 7 oktober 2011

Agressie en geweld in de jeugdzorg

Op www.communitycare.co.uk stond afgelopen maandag een schrijnend maar ook erg boeiend artikel, dat prikkelt tot nadenken over de uitgangspunten van waaruit we hulpverlenen, ook in Nederland. Ik heb al eens eerder geschreven over het systeem van Serious Case Reviews dat men in Engeland kent. Een SCR wordt uitgevoerd in een situatie waarin het in de kinderbescherming mis is gegaan, doordat mishandeling of verwaarlozing niet of veel te laat is opgemerkt. Van zo’n SCR wordt een openbaar verslag gemaakt en zo’n verslag is, in al zijn gruwelijkheid van buitengewoon interessant en leerzaam.  

Recente SCR’s laten zien dat social workers moeite hebben met agressieve en intimiderende ouders en als gevolg daarvan niet goed meer in staat zijn het welzijn van het kind te bewaken. Social workers die het onderwerp tijdens de werkbegeleiding ter sprake brengen krijgen nogal eens van hun leidinggevende van hun leidinggevende te horen dat het er nu eenmaal bij hoort. Als ze dit werk willen blijven doen moeten ze maar wat harder worden. Jim Wild, zelf ooit werkzaam in de jeugdzorg en nu werkzaam voor een trainings- en adviesbureau voor de jeugdzorg, haalt het verhaal van een beginnende social worker aan:

“Ik vertelde in de werkbegeleiding dat de vader zich dreigend opstelde. Hij zei: ‘Je haalt die kinderen niet weg, want anders kon er wel eens iets gebeuren.’ Toen mijn vorige huisbezoek afgelopen was zei hij dat hij me uit zou laten. Op weg naar de deur zei hij dat ik moest uitkijken bij het oversteken, omdat een ongeluk in een klein hoekje zat. Ik voelde me bang en bedreigd. Mijn manager zei dat ik onverschilliger moest worden als ik dit werk wilde blijven doen. Hij leek bezorgder dat mijn dossiers up to date waren en dat ik mijn voorgeschreven aantal gesprekken haalde. Ik ging er slecht van slapen, kreeg nachtmerries en begon uit te kijken naar een andere baan.”

Ik heb het idee dat er in de meeste Nederlandse jeugdzorginstellingen anders met bedreigingen en agressie tegen medewerkers wordt omgesprongen, maar toch zijn er ook hulpverleners die vinden dat agressie bij het werk hoort.

Brian Littlechild
In 2003 deed professor Brian Littlechild van de Universiteit van Hertfordshire onderzoek  naar agressie tegen medewerkers van de kinderbescherming. Hij vond dat het aantal bedreigingen en geweldsincidenten dramatisch gestegen was ten opzichte van 10 jaar eerder. Bovendien bleek er een grote groep managers te zijn die daar op een vergelijkbare manier over dacht als de leidinggevende die hierboven beschreven werd. Het gevolg: toegenomen ziekteverzuim, negatieve effecten op persoonlijke relaties en vertrek van medewerkers uit de jeugdzorg.

Littlechild concludeerde bovendien dat men er in de jeugdzorg vaak klakkeloos van uitgaat dat een samenwerkingsrelatie met ouders altijd mogelijk en in het belang van de kinderen is. In bepaalde situaties, aldus de professor, kan dat er echter toe leiden dat social workers niet meer in staat zijn het kind effectief te beschermen. Goede begeleiding van en steun voor bedreigde social workers is daarom doorslaggevend

Professor Chris Goddard en Dr. Janet Stanley van Monash University in Melbourne vergelijken de reactie van social workers met het Stockholmsyndroom. Net zoals slachtoffers van een gijzeling zich kunnen gaan identificeren met de dader neemt de social worker zijn toevlucht tot overlevingsmechanismen waarbij hij zich zijn ogen sluit voor wat er werkelijk gebeurt. En daarmee doet hij in feite hetzelfde als het mishandelde of misbruikte kind dat zich ook identificeert met degene die hem kwaad doet.

Nu vind ik zelf de parallel met het Stockholmsyndroom wat ver gaan. Dat ontstaat namelijk in situaties waarin het slachtoffer volkomen afhankelijk is van de dader. Een social worker kan in principe weggaan. Maar als je baas zo reageert als de leidinggevenden hierboven en je gedwongen wordt toch met een agressief gezin te blijven werken kan ik me voorstellen dat je, zoals de cognitieve dissonantietheorie van Festinger voorspelt, de tegenstrijdigheid van het samenwerken met iemand die je tegelijk bedreigt en zijn kind mishandelt maar oplost door je ogen te sluiten voor de mishandeling/verwaarlozing.

In twee dit jaar gepubliceerde SCR’s komt men tot de conclusie dat intimidatie van de kant van de ouders leidde tot slechte beslissingen door kinderbeschermers. In de eerste casus spraken onderwijzers en hulpverleners twee adoptieouders niet aan op hun gedrag tegenover de kinderen (dat ze wel hadden kunnen waarnemen) omdat ze zich lieten afschrikken door hun intimiderende gedrag, in combinatie met hun sociale status, als gerespecteerde farmacologen. In totaal probeerden de kinderen tien keer een signaal af te geven, wat niet werd opgepikt. Op die manier duurde het tien jaar voor de mishandelingen ontdekt werden.

Het tweede geval  leidde tot de dood van een 12-jarige jongen in 2010, nadat zijn moeder hem dwong om bleekwater te drinken. In dit geval ging moeder, een Sikh, in de tegenaanval door klachten wegens racisme en seksisme in te dienen tegen twee (blanke) social workers. De social workers werden door hun leidinggevende van de zaak gehaald. In een ander geval deed een social worker onderzoek naar beschuldigingen van seksueel misbruik tegen twee pleegouders. De pleegouders diende een klacht in vanwege het feit dat de social worker afspraken niet na zou komen en moeilijk bereikbaar zou zijn. De leidinggevende willigde hun klacht in en de social worker werd ook hier van de zaak gehaald.

Volgens Dr. Siobhan Laird van de Universiteit van Nottingham laten deze gevallen drie dingen zien. Allereerst dat hulpverleners in een zeer kwetsbare positie kunnen komen als ze met tegenwerkende en intimiderende cliënten te maken krijgen, vooral wanneer hun leidinggevende hen niet steunt. Een tweede punt is dat klachten van cliënten natuurlijk best gerechtvaardigd kunnen zijn, maar dat ze los moeten worden gezien van vermoedens die een hulpverlener heeft rondom misbruik of mishandeling. En tenslotte kun je vragen stellen bij de emancipatorische en maatschappijkritische uitgangspunten van de opleidingen social work in Engeland. Natuurlijk is het belangrijk om studenten bewust te maken van de macht die je als professional hebt en van de invloed van vooroordelen, racisme en stigmatisering. Maar even belangrijk is het om studenten er op voor te bereiden dat ouders uit minderheidsgroepen dit soms als een middel gebruiken om de social worker buitenspel te zetten.

Zoals gezegd denk ik dat Nederlandse jeugdzorginstellingen anders omgaan met bedreigingen en agressie tegen hun medewerkers. Maar een gevaar van het denken in empowerment en eigen kracht dat het debat rond het Nederlandse sociaal werk de laatste tijd zo beheerst is dat we onze ogen sluiten voor (en onze studenten onvoldoende voorbereiden op het feit dat) cliënten soms ook ronduit intimiderend kunnen zijn en dat ze huidskleur, ras of sekse als een wapen kunnen gebruiken om je als hulpverlener buitenspel te zetten. Het is van belang je te realiseren dat een samenwerkingsrelatie niet altijd mogelijk of gewenst is en dat in zo’n situatie altijd het belang van het kind moet prevaleren.

Lees het originele artikel hier

zondag 11 september 2011

Helden van het sociaal werk (5): Mychal Judge

Eigenlijk klopt deze titel niet helemaal: Mychal Judge, slachtoffer nummer 0001 van de aanslagen van 9 september 2001, was geen social worker, maar een priester. Maar in de vorige aflevering van deze miniserie hebben we al gezien dat er historisch gezien nauwe banden zijn tussen de kerk en het sociaal werk. En zelfs nu nog kennen de opleidingen godsdienstpastoraal werk, sociaal-pedagogische hulpverlening en maatschappelijk werk en dienstverlening een gemeenschappelijke grondslag. Mychal Judge was geen priester die zich beperkte tot het lezen van missen en het toedienen van de sacramenten. Veel van zijn werk had raakvlakken met wat je straathoekwerk of outreachend maatschappelijk werk zou kunnen noemen.

De naam Mychal Judge is in Nederland misschien niet zo bekend. De foto waarop zijn lichaam wordt weggedragen door brandweermannen is echter een van de iconische afbeeldingen van 9/11 geworden, een foto die iedereen wel eens gezien heeft.


Mychal Judge was als aalmoezenier verbonden aan het brandweerkorps van New York. Toen in de ochtend van 11 september het alarm afging en de brandweerwagens uitrukten ging hij mee naar het World Trade Center. In de hal van de noordelijke toren was een commandocentrum ingericht waar hij hulp bood aan slachtoffers en bad voor de overledenen. Toen rond 10 uur de zuidelijke toren instortte, werd hij geraakt door brokstukken die de hal invlogen. Hoewel hij niet het eerste slachtoffer van de aanslagen was, was hij wel degene die het eerst geïdentificeerd werd; vandaar “victim nr. 0001”

Judge werd in 1933 geboren als Robert Emmett Judge,  zoon van Ierse immigranten. Zijn vader overleed aan een slopende ziekte toen Robert 6 jaar oud was. Op zijn 15e ging hij naar het seminarie en dertien jaar later werd hij priester in Washington. Hij trad toe tot de Franciscaner orde en veranderde zijn naam in Mychal. Rond 1971 raakte hij verslaafd aan de alcohol. In 1978 slaagde hij er, met hulp van de Alcoholists Anonymous, in om van de drank af te raken. De hulp aan mensen met alcoholproblemen bleef zijn bijzondere aandacht houden.

In 1992 werd hij aalmoezenier bij het brandweerkorps van New York. Hij bood hulp en steun, vaak ter plekke, aan slachtoffers van branden. Stervenden diende hij de laatste sacramenten toe en brandweermannen die traumatische gebeurtenissen hadden meegemaakt ving hij op. Vaak reed hij mee op de brandweerwagen.

Mychal Judge wordt vaak aangeduid als The Saint of 9/11. Hoewel dat typisch past bij het Amerikaanse patriottisme en bij de algemeen-menselijke behoefte aan heldendom bij zulke overweldigende rampen, werd hij ook bij leven al vaak als een heilige gezien. Typerend is het verhaal dat hij een bevriend echtpaar gevraagd had om een speciaal soort trui voor hem mee te brengen van hun vakantie in Ierland. Het vinden van die trui kostte nogal wat moeite en hij bleek bovendien niet goedkoop. Toen de man hem later vroeg waarom hij de trui nooit droeg, bekende hij schoorvoetend dat hij hem aan een zwerver gegeven had. Die had hem harder nodig.

Vermeldenswaard is verder nog dat het Congres in 2002 een wet aannam, de Mychal Judge Act, die bepaalde dat partners van politieagenten, brandweerlieden en andere “public safety officers” die tijdens de uitoefening van hun werk omgekomen waren, recht hadden op een overheidspensioen, ook als het ging om “same-sex couples”.  

Het verhaal van Mychal confronteert je met de vraag hoever je zelf bereid zou zijn te gaan in extreme situaties. Hij had heel gemakkelijk naar een veiliger plek kunnen gaan en had dat goed kunnen beredeneren door te stellen dat niemand iets aan hem zou hebben als hij dood was. Sterker nog: hij had helemaal niet mee hoeven gaan op de brandweerwagen. De meesten van ons zullen niet zo extreem op de proef gesteld worden, maar iedere hulpverlener kent wel situaties waarin hij in zekere zin moet kiezen tussen zichzelf en de cliënt.

Over Mychal Judge is in 2006 een documentaire gemaakt, met Ian McKellen als voice-over. De documentaire, die ongeveer 80 minuten duurt, geeft een beeld van zijn leven, maar is tevens een liefdesverklaring aan New York. Hij is in acht delen te zien op YouTube: zie onderstaande links.
















zaterdag 10 september 2011

Waarom dumpt ze hem niet?

Familie, politie en hulpverleners kunnen er niet over uit: waarom gaan vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld zo vaak zo snel weer terug naar de man die hun mishandelde? En waarom trekken ze hun aangifte zo vaak weer in? Het antwoord daarop is complex en kan te maken hebben met economische afhankelijkheid, gebrek aan gevoel van eigenwaarde of schuldgevoel tegenover de kinderen. Onderzoekers van Ohio State University denken een stukje van het antwoord te hebben gevonden. Zij analyseerden opnames van telefoongesprekken tussen zeventien mannen die gearresteerd waren op verdenking van huiselijk geweld en hun vrouwelijke slachtoffers, die besloten hun aangifte in te trekken.

De mannen zaten in een gevangenis in Washington State, in het uiterste noordwesten van de VS. Alle telefoongesprekken van de gevangenen worden routinematig opgenomen. De gevangenen zijn op de hoogte: aan het begin van elk gesprek horen ze een bandje met de mededeling dat hun gesprek geregistreerd wordt. De onderzoekers analyseerden de gesprekken van 17 vrouwen die hun aangifte ingetrokken hadden. De totale lengte van de gesprekken varieerde van 30 minuten tot meer dan 3 uur per stel. Anders dan vaak wordt gedacht trokken de slachtoffers hun aangifte niet in omdat de dader ze dreigde met nog meer geweld. De daders gebruiken “…more sophisticated emotional appeals designed to minimize their actions and gain the sympathy of the victim,” aldus Amy Bonomi, de hoofdonderzoeker.

De beïnvloeding verloopt in vijf fasen, zo vertelt ze. In de eerste twee gesprekken is er vaak sprake van een verhitte discussie over wat er nu precies gebeurd is en wat ieders aandeel is. In die beginfase toont het slachtoffer zich vaak weerbaar en verzet ze zich tegen de manier waarop de dader de gebeurtenissen weergeeft. Die vastberadenheid wordt echter minder, naarmate de dader vaker belt.
In de tweede fase bagatelliseert de dader de mishandeling en praat hij op het slachtoffer in om haar ervan te overtuigen dat het allemaal niet zo ernstig was.

Wat dan volgt is in de meeste gevallen het omslagpunt in het hele proces. De dader appelleert aan gevoelens van medelijden en sympathie bij het slachtoffer. Hij beschrijft hoeveel hij lijdt in de gevangenis, hoe somber hij is en hoezeer hij haar en de kinderen mist. Kortom: hij zet zichzelf neer als het slachtoffer en vaak voelt het echte slachtoffer zich geroepen om hem te troosten. In een geval dreigde de dader zelfs met suicide en zei hij tegen slachtoffer: “Niemand houdt toch van me?”. Op dat moment veranderde de stem van het slachtoffer op slag. Ze leek bezorgd dat hij zichzelf echt iets zou aandoen. Ze beloofde dat ze hem zou helpen om uit de gevangenis te komen.

In het vierde stadium vraagt de dader het slachtoffer om de aangifte in te trekken. Het slachtoffer geeft toe. Tenslotte, in het vijfde stadium, werken beiden het plan verder uit en stemmen ze hun verhalen op elkaar af. “Vaak wisselen ze heel gedetailleerde afspraken uit over wat ze moeten doen en zeggen in de rechtszaal. Ze bevestigen tegenover elkaar dat ze een stel zijn en zien zichzelf als mensen die vechten tegen de overheid die ze uit elkaar probeert te halen, “ alsdus Bonomi.

Bonomi gelooft niet dat de gesprekken beïnvloed zijn door het feit dat dader en slachtoffer wisten dat ze opgenomen werden. “Het zijn stellen die in een crisis verkeren. De dader wil koste wat het kost zijn vrijheid terug. Hij houdt zich niet in,” zegt ze. Ze gelooft evenmin dat het opnemen van de gesprekken de reden is dat dader niet met geweld dreigen. De mannen schatten in dat ze meer kans van slagen hebben als ze geen directe bedreigingen uiten. Ze bevinden zich immers in een afhankelijkheidspositie: als ze hun partner bedreigen, kan deze het gesprek beëindigen. Natuurlijk, aldus Bonomi, is er altijd de dreiging van toekomstig geweld, maar de daders gebruiken die niet om hun doel te bereiken.   

Volgens de onderzoekster kunnen de uitkomsten politie en hulpverleners helpen om slachtoffers beter voor te bereiden op pogingen van de dader om hun gemoed te werken en de mishandeling te bagatelliseren. Als de slachtoffers voorbereid zijn, zijn ze minder gevoelig voor die pogingen en is de kans dat ze hun aangifte doorzetten groter. De uitkomsten laten bovendien zijn hoe het inspelen op gevoelens het voor slachtoffers moeilijker maakt om zich los te maken uit een gewelddadige relatie.

Uiteraard is de situatie in de VS anders dan in Nederland. Het berechten van de dader staat hier minder centraal. Als een vrouw het toch weer wil proberen met haar partner, zal men eerder inzetten op een combinatie van individuele begeleiding en relatiegesprekken waarbij beide partijen leren om op een andere manier met conflicten om te gaan. Daarnaast vind ik persoonlijk dat Bonomi wel erg gemakkelijk aanneemt dat het opnemen van de gesprekken geen invloed heeft op de inhoud ervan. In mijn tijd als maatschappelijk werker heb ik wel degelijk meegemaakt dat daders gebruik maakten van bedreigingen, soms heel subtiel en indirect, om slachtoffers onder druk te zetten om een aangifte in te trekken. Maar het patroon dat in dit onderzoek gevonden werd is herkenbaar en het kan goed zijn om slachtoffers erop voor te bereiden.
De Evangelische Omroep zond in 2010 een documentaireserie uit over het werk van de rechtbank. In de tweede aflevering wordt een vrouw geconfronteerd met haar ex-man tegen wie ze aangifte van mishandeling heeft gedaan.

De Amerikaanse zender ABC zond een documentaire uit die goed laat zien waarom een vrouw besluit om bij haar man te blijven, ondanks de mishandelingen. De documentaire bevat schokkende beelden.



Bonomi, A.,  Gangamma, R., Locke, C.,  Katafiasz, H., &   Martin, D. (2011). Meet me at the hill where we used to park': Interpersonal processes associated with victim recantation. Social Science & Medicine, DOI: 10.1016/j.socscimed.2011.07.005

maandag 22 augustus 2011

Antonio Casilli: Rellen als computerspel

(met dank aan Claudia Megele voor de link)

Voor het eerst had ik tijdens mijn vakantie een appartement gehuurd dat beschikte over draadloos internet. Dat had voor- en nadelen. Via de iPad bleef ik voortdurend op de hoogte van wat mr. G.B.J. Hiltermann vroeger zo mooi “de toestand in de wereld” placht te noemen. En via de mail kon ik regelmatig nog wat instructies geven aan mijn zoon, die alleen thuis was en daarmee in zijn ogen de mooiste vakantie van ons allemaal had. Maar ik miste toch ook wel de spanning van het om de andere dag naar een internetcafé lopen om te zien of er nog mail was en of er nog schokkende dingen in het vaderland gebeurd waren. Want ik heb het altijd verdomd, ook op vakantie, om de Telegraaf, Geert’s eigen Völkische Beobachter te kopen; ook al is dat de enige krant die je in het buitenland kunt krijgen.

Via het wereldwijde web was ik dus getuige van de rellen in Engeland en hoorde ik politici en deskundigen over elkaar heen buitelen om verklaringen te geven voor de ongehoorde uitbraak van geweld. De premier sprak van falende of zelfs afwezige ouders, die niet eens wisten of hun kinderen thuis waren of niet; anderen hadden het over de kloof tussen arm en rijk, die in Engeland veel groter is dan in Nederland.

Wat de verklaring ook was, het was schokkend om mensen als – ik kan er geen ander woord voor verzinnen – wilden tekeer te zien gaan, zonder enige remming en zonder enige empathie voor de slachtoffers; vaak ook mensen die het niet al te breed hebben. De beelden waarin een Aziatische student bestolen wordt, terwijl omstanders doen alsof ze hem helpen, zijn intussen bijna iconisch geworden.

Persoonlijk geloof ik zeker dat er in de Britse samenleving aspecten zijn die er aan bijdragen dat dit soort rellen zich voordoen. Toch was het opvallend dat lang niet elke rioter een kansarme jongere was. Ik las dat er zelfs een rechtenstudent opgepakt en veroordeeld is. Blijkbaar treden er, wanneer zo’n mob eenmaal in beweging is, andere mechanismen op waardoor het heel gemakkelijk is om er in mee te gaan. Daarbij kun je denken aan groepsdruk, in combinatie met het feit dat het leek er schijnbaar geen sancties stonden op plundering en geweld. Als ze weten (of denken) dat hen toch niets kan gebeuren, bijvoorbeeld omdat er geen politie is of omdat er niemand anders is die ze kan straffen, zijn mensen tot rare dingen in staat. Dingen die ze zichzelf van tevoren nooit toegedicht hadden. Denk aan het Stanford Prison Experiment, dat ik eerder al eens besprak. Maar eigenlijk wisten we ook al vanuit de Tweede Wereldoorlog, dat brave huisvaders en vriendelijke buurmannen, onder de “juiste” omstandigheden de vreselijkste misdrijven kunnen begaan.



Antonio Casilli

Wat ook opviel was de rol van de sociale media en de reactie van de overheid en de "ouderwetse" media daarop. Enkele maanden geleden werden Facebook en Twitter nog gezien als de drijvende krachten achter de Arabische lente en werd er schande gesproken van dictatoren die de toegang tot de sociale media wilden blokkeren. Maar nu pleitte zelfs een deel van de pers ervoor om internet en het mobiele telefoonverkeer tijdelijk plat te leggen. De socioloog Antonio Casilli noemt dat in zijn blog een gevolg van het kritiekloze enthousiasme waarmee mensen op nieuwe technologieën, zoals internet en sociale media reageren. Ze kennen er ongehoorde krachten aan toe, hetzij ten goede, zoals in het geval van de Arabische lente, of ten kwade.



Casilli gaat vervolgens na wat we vanuit wetenschappelijk onderzoek weten over de invloed van sociale media op maatschappelijke onrust. Sinds een jaar of tien werken sociale wetenschappers met computerprogramma’s waarmee sociale onrust en rellen gesimuleerd kunnen worden. Dat ziet er op het scherm als volgt uit.


Het gedrag van een individu (een bolletje op het scherm) wordt bepaald door verschillende variabelen. Eén factor is de mate van politieke onvrede (op het scherm weergegeven door een lichtere of donkerder kleur groen). Daardoor kan een persoon er toe komen actief te gaan protesteren. Dat zijn de rode cirkels in de figuur. Maar de beslissing om geweld te gebruiken – te gaan plunderen of de regering omver te werpen – wordt bepaald door de sociale omgeving. Neemt iemand bijvoorbeeld politie (de blauwe driehoekjes) waar in zijn omgeving? Zo niet, dan gaat zo iemand inderdaad aan het plunderen. Ziet iemand wel politie, dan zal hij zich afvragen of daar voldoende actieve protesteerders tegenover staan.  Soms wordt iemand bij toeval opgepakt en verdwijnt hij in de gevangenis. Dat zijn de zwarte cirkels in de afbeelding.

Het model houdt nog rekening met andere invloeden, zoals de mate waarin men de regering als legitiem ervaart. Daarnaast kunnen individuen zich van de ene plek naar de andere bewegen om zich samen te voegen met andere relschoppers.

Het model lijkt de werkelijkheid te simplificeren, maar, zegt Casilli, vergelijk dat eens met de simpele modellen waarop de regering Cameron haar interventies baseert. Zij gaat er vanuit dat er twee soorten mensen zijn: plunderaars en mensen die hun buurt verdedigen.

De uitkomst van de simulatie laat zien dat geweld van burgers geen lineair proces is dat net zo lang escaleert tot de regering valt of het oproer neergeslagen wordt. Lange periodes waarin de rebellie ondergronds smeult worden afgewisseld door korte, hevige uitbarstingen.

Tot zover het oorspronkelijke model, dat van Josh Epstein is. Casilli heeft dit model verbeterd door meer nadruk te leggen op de variabele “vision”. Vision is de mate waarin iemand in staat is om zijn omgeving te scannen op de aanwezigheid van politie of van andere activisten. Deze variabele was in het oorspronkelijke model ook wel aanwezig, maar Casilli heeft een regel toegevoegd waardoor individuen zich bewegen naar plaatsen binnen hun gezichtsveld waar de meeste actievoerders zijn. Tijdens de rellen in Engeland ging het ook zo: via Twitter en andere social media kregen mensen een zo goed mogelijk overzicht (“vision”) van waar andere plunderaars zich bevonden. Als de sociale media gecensureerd worden is er dus sprake van een geringe mate van vision en bewegen individuen zich min of meer willekeurig. Als er geen sprake is van censuur heeft ieder individu een goed overzicht van zelfs de meest afgelegen delen van het slagveld.

Vervolgens keek Casilli hoe de onrust zich ontwikkelde als je de mate van vision varieerde bij voor de rest gelijkblijvende omstandigheden. Hij stelde tien verschillende niveaus van vision in en liet het programma vervolgens in elke conditie 1000 rondes draaien. Dat wil zeggen dat elk individu (elk bolletje) 1000 keer een "beslissing" nam op basis van de omstandigheden waarin het zich bevond.

In alle scenario’s was er sprake van een heftige uitbarsting aan het begin (net zoals recent in Engeland). Bij een situatie van vision = 0 (volledige censuur) bleef het geweldsniveau hoog. Iets vergelijkbaars hebben we gezien bij de opstand in Egypte. In een scenario zonder censuur doen zich soms heftige pieken van geweld voor maar is het gemiddelde geweldniveau vrij laag en zijn er lange perioden van rust. Het is bepaalde geen paradijselijke toestand van rust en vrede, maar burgers hebben de mogelijkheid om hun onvrede te ventileren en te delen en actie te ondernemen, ook al leidt die actie van tijd tot tijd tot confrontatie.

Censuur op sociale media, zoals Twitter en Facebook, leidt dus, ander dan vaak gedacht, niet tot minder, maar juist tot meer geweld.

maandag 25 juli 2011

Armoede is een kwestie van wilskracht – maar anders dan je denkt!

Van de handvol Britse journalisten die ik ken is Oliver Burkeman met afstand de leukste en interessantste. Onder de titel “This column will change your life” schrijft hij in The Guardian wekelijks een artikel over opmerkelijke uitkomsten van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Deze week verblijdde hij zijn lezers met een column over onderzoek naar de effecten van armoede op wilskracht en doorzettingsvermogen. Burkeman baseerde zich daarbij op een artikel  van Jamie Holmes uit The New Republic,van 6 juni jl.

In de jaren ’90 ontwikkelden sociaal-psychologen de idee van “depletable  self-control”, vrij vertaald: eindige of beperkte zelfbeheersing. Het idee was dat iemands vermogen om zelfbeheersing en wilskracht tentoon te spreiden beperkt was. Als iemand gedwongen werd op een bepaald gebied veel wilskracht of doorzettingsvermogen te tonen, zou dat ten koste gaan van andere gebieden. In 1998 zetten Baumeister, Bratlavsky, Muraven en Tice hongerige proefpersonen aan een tafel met twee soorten voedsel: chocolade en koekjes naast radijs. Sommige proefpersonen kregen de instructie de radijs te eten en de lekkernijen links te laten liggen; anderen mochten eten wat ze wilden. Daarna kregen ze allemaal een aantal onoplosbare geometrische puzzels voorgelegd. Degenen die de lekkere dingen hadden moeten laten liggen gaven twee keer zo snel op, ook wanneer gecorrigeerd werd voor verschillen in stemming. De onderzoekers concludeerden dat het weerstaan van verleidingen een psychische tol eiste.

Deze bevinding is sindsdien in meer dan 100 experimenten bevestigd. Zelfbeheersing tonen leidde in een daaropvolgende taak steeds tot verminderde zelfcontrole. Mensen lieten zich gemakkelijker overhalen om een product te kopen of om te liegen voor geldelijk gewin en mensen die op dieet waren aten teveel.

In de loop der jaren werd de theorie uitgebreid. In bovenstaande voorbeelden ging het nog om “self-control decisions”. Later onderzoek maakte echter aannemelijk dat hetzelfde ook gold voor “trade-off decisions”: besluiten waarin iemand moet kiezen uit twee aantrekkelijke alternatieven. Bij beide typen beslissingen zou je wilskracht kunnen zien als het vermogen om dilemma’s rationeel op te lossen en een keuze te maken die zo goed mogelijk past bij iemands persoonlijke doelen en belangen. Dat (psychologische) vermogen lijkt eindig te zijn. Net zoals Andy Schleck na twee dagen aanvallen in de Tour er geen goede tijdrit meer uit kon persen, is iemand na het oplossen van een of meer dilemma’s aan het eind van zijn cognitieve Latijn.

Dit inzicht heeft grote gevolgen, bijvoorbeeld voor ons begrip van het verschijnsel armoede. Psycholoog Elder Shafir van Princeton University formuleert het kernachtig: “Voor een arm iemand is voor bijna alles wat hij doet een trade-off beslissing nodig”. Iemand met geld hoeft zich niet af te vragen of hij zal gaan eten. Voor iemand die in armoede leeft vraagt zelfs eten kopen “trade-off thinking”. Zie ook de blogpost  die ik in februari schreef over de online game SPENT.

In december publiceerde Dean Spears, een econoom van Princeton, een artikel over een aantal experimenten die laten zien dat economische beslissingen voor arme mensen een veel grotere cognitieve belasting vormen dan voor rijken. In een zo’n experiment deed hij een aantal mensen in een Indiaas dorp een voordelige aanbieding voor zeep. Mensen die die aanbieding hadden gehad deden het daarna veel slechter op een taak rond zelfbeheersing. Dat gold echter alleen voor arme deelnemers; niet voor rijke. Een rijke deelnemer hoefde alleen na te denken of hij de zeep wilde hebben; een arm iemand moest bedenken wat hij moest opgeven om de zeep te kunnen kopen.

Voor arme mensen is iedere dag vol van dit soort beslissingen, die een aanslag doen op hun cognitieve draagkracht. Econoom Sendhil Mullainathan van Harvard constateert in een recent artikel  dan ook dat armoede de vrije wil beperkt, waardoor het nog moeilijker wordt om aan de eigen omstandigheden te ontsnappen. Burkeman stelt het heel navrant: juist door de offers te brengen die dagelijks van hen gevraagd worden houden armen minder psychologische ruimte over om die initiatieven te nemen waardoor ze blijvend aan de armoede zouden kunnen ontsnappen.  

In zijn artikel concludeert Holmes dan ook dat we armoede op een andere manier moeten bestrijden dan we tot nu toe gedaan hebben. We moeten, zegt hij, wilskracht als een belangrijk, maar schaars goed gaan beschouwen. Hij geeft het voorbeeld van drie economen die op de Filippijnen experimenteerden met een nieuw soort bankrekening, de SEED-rekening (Save, Earn, Enjoy Deposits). Mensen spreken daarbij vrijwillig met hun bank af dat zij niet voor een bepaalde datum geld kunnen opnemen. Van degenen die het aanbod voor zo’n SEED-rekening kregen deed 28% mee. Deze mensen bleken na een jaar vier keer zoveel te hebben gespaard als anderen. De vrijwillige afspraak met de bank maakte het voor de deelnemers mogelijk om een “trade-off decision” te vermijden. In het rijke Westen kennen we dit soort constructies al veel langer, in de vorm van pensioentegoeden, vakantiegeld, deposito’s etcetera. In armere gebieden zijn dit soort voorzieningen veel schaarser.

Geld kan ook ingezet worden om te voorkomen dat mensen overbelast raken door allerlei dilemma’s waarin ze moeten beslissen. In Mexico en Brazilië verbindt de overheid voorwaarden aan bepaalde vormen van financiële steun: dat de kinderen naar school gaan, dat mensen regelmatig een arts bezoeken of dat ze geld sparen.

Kun je wilskracht trainen, als een spier? Of is op ook werkelijk op? Onderzoeksresultaten spreken elkaar in dit opzicht tegen. Er zijn in ieder geval aanwijzingen dat wilskracht zich kan herstellen, bijvoorbeeld door even iets ontspannends te doen en ergens anders aan te denken. Maar of “the willpower muscle” ook versterkt kan worden is onduidelijk. Sommige onderzoekers denken van wel. In twaalf staten in de VS draait een programma, Tools of the Mind,  dat zich speciaal richt op het versterken van wilskracht bij peuters en kleuters.

Voor de hulpverlening aan mensen in armoede, al dan niet met schulden, betekent dit dat we ons niet zozeer moeten richten op het aanleren van het maken van goede keuzes, maar op het eerst en vooral wegnemen van situaties waarin dat keuze maken op de proef wordt gesteld. Dat betekent bijvoorbeeld dat budgetbeheer, mits goed uitgevoerd, een goed middel is om energie en ruimte vrij te spelen die vervolgens gebruikt kan worden om meer blijvend iets aan de armoede te doen (bijvoorbeeld door het volgen van een opleiding of het zoeken van een baan).

En ook voor ons uit de middenklasse heeft Burkeman een goed advies: de volgende keer als je weer eens een aanval hebt van zelfdiscipline, besteed je energie dan niet aan pogingen om je als een verantwoordelijk burger te gedragen, maar aan het veranderen van je omgeving zodat je in de toekomst niet zo vaak aangesproken zult worden op je wilskracht. Neem je niet voor om iedere maand geld te sparen, maar geef je bank opdracht om automatisch elke maand een bedrag over te maken naar je spaarrekening; besluit niet om minder vaak TV te kijken, maar doe je toestel de deur uit. Waar een wil is, is een weg om niet langer afhankelijk te zijn van je wil.




Hier vind je een verslag van een onderzoek naar de effectiviteit van Tools of the Mind

zaterdag 23 juli 2011

Echt waar: een positieve benadering helpt bij criminele jongeren

Op 7 juli promoveerde Peer van der Helm aan de Universiteit Amsterdam. Zijn proefschrift had als titel “First do no harm”. Van der Helm werkt bij de Hogeschool Leiden, bij het cluster Social Work en Toegepaste Psychologie. De conclusie van het proefschrift is, in een zin samengevat,  dat het mogelijk is om jongeren in Justitiële Jeugdinrichtingen via een gerichte behandeling uit de negatieve spiraal van geweld en criminaliteit te halen, als de groepsleiding maar zorgt voor een veilig leefklimaat. Maar dat laatste is razend moeilijk.

Voor zijn promotie deed Van der Helm zes onderzoeken, alle in Forensisch Centrum Teylingereind in Sassenheim. Teylingereind is een gesloten Justitiële Jeugdinrichting, die zich richt op jongens tussen de 12 en de 24 jaar.  De jongens zijn op last van de rechter in een gesloten inrichting geplaatst. 

In zijn eerste studie onderzocht Van der Helm wat de belangrijkste aspecten van het leefmilieu in de groep waren. Vier zaken kwamen naar voren:
  1. Steun: de mate waarin de groepsleiding responsief is bepaalt de relatie met de jongere. Daarbij gaat het om kleine dingen: er zijn als de jongere steun nodig heeft, betrouwbaar zijn en af en toe een complimentje geven.
  2. Groei: jongeren moeten het idee hebben dat ze iets leren en dat hun verblijf bijdraagt aan een betere toekomst
  3. Repressiviteit en gebrek aan structuur. Deze spelen vooral een rol als jongeren het idee hebben dat regels inconsequent en oneerlijk worden toegepast en ze niet weten waar ze aan toe zijn
  4. De atmosfeer tussen jongeren onderling. Kunnen ze elkaar vertrouwen; worden er spullen gestolen of worden jongeren gepest of afgeperst?

Al deze factoren zijn beïnvloedbaar en kunnen dus richting geven aan het handelen van groepsleiders.

In een tweede studie toonde Van der Helm aan dat een open leefmilieu samenhangt met een grotere behandelmotivatie bij de jongere en een externe locus of control. De locus of control heeft te maken met de vraag waar je de oorzaak voor je handelen legt. Bij een interne locus of control zie je jezelf als de belangrijkste regisseur van je handelen; bij een externe leg je de oorzaak juist vooral buiten jezelf.

Daarna onderzocht Van der Helm de manier waarop jongeren omgaan met het feit dat ze onvrijwillig opgenomen zijn (coping). Een open leefklimaat bleek samen te hangen met een actieve manier van coping en grotere behandelmotivatie.

Een vierde studie onderzocht de relatie tussen de kwaliteit van het leefklimaat en empathie. Eerder onderzoek had namelijk aangetoond dat gebrek aan empathie een belangrijke voorspeller is voor recidive. Op zich niet zo vreemd natuurlijk: als je je kunt verplaatsen in iemand anders ben je waarschijnlijk minder snel geneigd hem of haar te beroven of te mishandelen. Vooral de variabelen responsiviteit en atmosfeer bleken samen te hangen met een positieve empathieontwikkeling van de jongeren. Daarbij ging het vooral om cognitieve empathie: de mate waarin iemand gevoelens van anderen kan herkennen. Affectieve empathie, het kunnen meevoelen met anderen, bleek niet samen te hangen met een van de  aspecten van het leefmilieu. Van der Helm verklaart dat vanuit het gegeven dat  veel jongeren zich depressief voelen tijdens de opsluiting en dat ze zich op een leefgroep niet kwetsbaar willen opstellen naar andere groepsleden.

Agressie en onveiligheid op de leefgroep kunnen de ontwikkeling van een jongere dus negatief beïnvloeden. Daarom keek Van der Helm in een vijfde onderzoek naar de invloed van het leefklimaat op de persoonlijkheid van de jongeren en naar de door de jongere zelf gerapporteerde agressie. Een open leefklimaat bleek samen te hangen met de stabilisatie van persoonlijkheidsproblemen en met de mate van agressie. Een repressief leefklimaat hing samen met destablisatie van de persoonlijkheid (“bang en boos”, noemt Van der Helm dat).

De onderzochte jongeren gaven te kennen dat de groepsleiding een grote invloed had op het leefklimaat. Daarom ging Van der Helm in zijn laatste studie na of hoe pedagogisch medewerkers dachten over hun werk, over de organisatiecultuur, de leiding en de eigen motivatie. Veel groepsleiders geloofden zelf niet dat zij veel invloed konden hebben op de jongeren. “Niets werkt-cognities”, noemt Van der Helm dat in fraai psychologenjargon. Groepsleiders hebben moeite om de resultaten van hun werk te zien. Ze raken ontmoedigd door de incidenten en de recidive. Bovendien zijn ze vaak bang voor agressie op de groep. Dat leidt ertoe dat ze strakker (repressiever) optreden en desondanks het gevoel hebben geen controle te hebben. Naarmate de teamleider meer als inspirerend werd gezien was er echter minder angst bij de groepsleiding en kon men zich flexibeler opstellen.

In zijn bespreking van de uitkomsten wijst Van der Helm erop, hoe moeilijk het vak van groepsleider is. Hij spreekt over “misschien wel het zwaarste beroep ter wereld”.  Van der Helm: “Zij gaan over een groep van acht tot tien jongens of meisjes die bij binnenkomst zoveel problemen meebrengen dat het heel lastig is om daar goed mee om te gaan. Die jongeren vreten van alles uit en om dan te proberen hun vertrouwen te winnen, is niet gemakkelijk. De verleiding is groot om op een bepaald moment te zeggen: en nu de knoet erover, want dan worden ze wel rustig. Maar uit mijn onderzoek blijkt juist het tegendeel: hoe repressiever de leiding, des te opstandiger worden de jongeren.  Het is veel effectiever om een klimaat te creëren waarin jongeren zich veilig en gerespecteerd voelen. Sommigen noemen dat soft, maar in mijn ogen is het de enige manier om bij deze jongeren iets te bereiken.”  Belangrijk is wel om je te realiseren dat het handelen van de groepsleider niet op zichzelf staat. Belangrijk is ook het handelen van de collega’s, net als de team- en organisatiecultuur, het aanname- en scholingsbeleid.

Een andere conclusie is dat “groei” een belangrijke leefklimaatfactor is. Het is belangrijk om te werken aan een beter toekomstperspectief en aan hoop op een beter leven. Van der Helm constateert dat daarvoor nodig is dat de huidige gerichtheid op “opvoeding en controle binnen”vervangen wordt door een op “opvoeding gericht op buiten”.

Het onderzoek is een verademing in een tijd waarin criminele jongeren in de samenleving steeds vaker neergezet worden als onverbeterlijke “stadsroofdieren” bij wie alleen een lange gevangenisstraf helpt. Een positieve benadering werkt wel degelijk, al vraagt het werk met deze jongeren enorm veel van de begeleiders. Nu maar hopen dat tough guys als Opstelten en Teeven mijn blog ook lezen!

Het hele proefschrift is hier te downloaden.

Bron: Psy Nieuwsbrief; DARE VU.